1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  1. Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met het omgevingsplan en de gronden genoemd in artikel 1:8.

  1. De vergunning kan ook door het college worden geweigerd:

    a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  1. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor standplaatsen die worden ingenomen ten behoeve van het voeren van politieke campagne gedurende een periode van twee weken voorafgaande aan enige verkiezing als bedoeld in de Kieswet, dit echter uitsluitend voor wat betreft de door het college aan te wijzen plaatsen en tijden;

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of het Provinciaal wegenreglement.

  3. De weigeringsgrond in het derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

  1. Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.

  1. Bij het stellen van nadere regels kan het college bepalen dat vergunningen worden verleend met toepassing van een van de volgende procedures:

    a. op volgorde van binnenkomst van de aanvragen;

    b. door middel van een vergelijkende toets;

    c. door middel van een loting;

    d. door middel van een veiling.