Algemene Plaatselijke Verordening 's-Hertogenbosch 2016 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk 2
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betogingen
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaats
Afdeling
Afdeling Toezicht op evenementen
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
Afdeling
Afdeling Naaktrecreatie
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Afdeling 14 Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatsekswerk e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Afdeling Bodem-, weg- en milieuverontreiniging
Afdeling Maatregelen tegen ontsiering
Afdeling Kamperen buiten kampeerterreinen
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Hoofdstuk 2

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, te vechten, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  1. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, danwel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een Buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  1. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare orde of de (verkeers)veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden of een ander algemeen belang zijn afgezet.

  2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling of waarbij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat men daarmee bij een evenement de orde wil verstoren.

  1. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  1. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester.

  1. De kennisgeving bevat:

    a. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    b. het doel van de betoging;

    c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  1. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  1. Indien het uiterste tijdstip van de schriftelijke kennisgeving op grond van het eerste lid, valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, dient in afwijking van het eerste lid de kennisgeving uiterlijk om 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag plaats te vinden.

  1. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:3

(Omgevings-)vergunning voor voorwerpen of stoffen op, aan of boven een openbare plaats

  1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college een openbare plaats of een gedeelte ervan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  1. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van een openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van een openbare plaats;

    b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  1. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,5 meter breed en 2,2 meter hoog wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog op de rijbaan voor fietsers en/of gemotoriseerd verkeer.

  2. Het college kan - naast de uitzonderingen genoemd in het vijfde lid - categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt.

  1. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    b. zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover:

    1. elk onderdeel zich meer dan 2.20 meter boven dat gedeelte bevindt en

    2. elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0.50 meter van het voor het rijveerkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt en

    3. elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1.50 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, tenzij dit op grond van het zesde lid verboden is;

    e. plantenbakken, indien zij geen gevaar of hinder opleveren en voor zover:

    1. er maximaal twee plantenbakken per pand aanwezig zijn;

    2. de plantenbak tegen de gevel geplaatst is;

    3. de lengte- en breedtemaat van de plantenbak niet meer dan 40 cm is;

    4. de plantenbak maximaal 90 cm hoog is;

    5. de plantenbak van maximaal 90 cm met beplanting maximaal 120 cm hoog is.

  1. Het is verboden op, in, over of boven een openbare plaats een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als:

    a. deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan een openbare plaats;

    b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of

    c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  1. De in het eerste lid genoemde vergunning wordt als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag verleend indien het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (opslag roerende zaken).

  1. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsvergunning of Waterschapsverordening.

Artikel 2:4

Vergunning voor het beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college de verharding van de weg op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  1. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  1. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 (AVOI 2016).

  1. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn vastgesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:6

Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2:7 Rookverbod in bossen en natuurgebieden

  1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de maanden april tot en met september.

  1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  1. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  1. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:8

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  1. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:8a

Messen en steekwapens

  1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  1. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  1. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:9 Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    a. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    b. bioscoopvoorstellingen;

    c. algemene kermissen als bedoeld in de Kermisverordening 's-Hertogenbosch 2018.

    d. schouwburg- en/of theatervoorstellingen die plaatsvinden in een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    e. voetbalwedstrijden, als bedoeld in artikel 2:31, tweede lid;

    f. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    g. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    h. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

  1. Onder evenement wordt mede verstaan:

    a. een herdenkingsplechtigheid;

    b. een braderie;

    c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 van deze verordening, op de weg;

    d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats;

    e. een vechtsportevenement.

  1. 0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarbij sprake is van een zeer beperkte impact op de directe omgeving en het verkeer, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd;

  1. A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de openbare orde, omgeving en het verkeer;

  1. B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de openbare orde, directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

  1. C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de openbare orde, de gemeente en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

    1. In deze afdeling wordt onder organisator verstaan: een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde(n), die een evenement laat organiseren, organiseert of wenst te organiseren.

    1. In deze afdeling wordt onder behandelclassificatie evenementen verstaan: de indeling van de verschillende evenementen op basis van de mogelijke risico's met betrekking tot de omgeving en het verkeer. De volgende evenementen worden onderscheiden:

    1. Onder evenementenkalender wordt in deze afdeling verstaan een op basis van een door de raad vastgestelde beoordelingscriteria door het college vast te stellen lijst met evenementen in de classificatie A, B en C die in een kalenderjaar in aanmerking komen voor een evenementenvergunning.

    1. In deze afdeling wordt onder bijzonder evenement verstaan: een evenement dat een uniek incidenteel karakter kent dat voor de gemeente een stedelijk of (inter)nationaal belang heeft op het gebied van cultuur, citymarketing en/of sport.

Artikel 2:10

Evenement

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement in de classificatie van A, B of C te (laten) organiseren.

  1. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  1. Met het oog op de in artikel 2:10b en de in artikel 1:8 genoemde belangen, kan de burgemeester over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere regels vaststellen.

  1. Het is verboden zonder kennisgeving aan de burgemeester een 0-evenement te (laten) organiseren;

  1. Van een 0-evenement is sprake indien:

    a. Het een evenement in de openlucht betreft;

    b. Het evenement niet plaatsvindt op:

    i. Gebiedsontsluitingswegen

    ii. Busroutes

    iii. Fietsroutes behorende bij het hoofdfietsroutenet

    iv. Een weg die de enige ontsluiting vormt voor een gebied of achterliggende straat.

    c. het een eendaags evenement is;

    d. het evenement plaatsvindt op één locatie;

    e. het evenement plaatsvindt op maandag, dinsdag, woensdag of donderdag en niet vroeger dan 10.00 uur begint en niet later eindigt dan 23.00 uur. Er geen muziek ten gehore wordt gebracht na 22.00 uur;

    f. het evenement plaatsvindt op vrijdag of zaterdag en niet vroeger dan 10.00 uur begint en niet later eindigt dan 24.00 uur. Er geen muziek ten gehore wordt gebracht na 23.00 uur;

    g. het evenement geen geluidhinder veroorzaakt;

    h. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 200 personen

    i. indien er een tent wordt geplaatst deze voor niet meer dan 50 personen toegankelijk is;

    j. het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpddiensten;

    k. het geen extra politiecapaciteit vergt;

    l. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

    m. er een organisator is.

  2. De evenementen genoemd in het vijfde lid dienen ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement gemeld te worden aan de burgemeester door middel van het door de burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier.

  1. De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  1. Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na de kennisgeving er vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde kan de burgemeester alsnog bepalen dat het verbod ingevolge lid 4 onverkort geldt.

  1. De burgemeester kan voorschriften vaststellen die gelden voor 0-evenementen. Het is verboden om te handelen in strijd met deze voorschriften.

  1. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet indien:

    a. het evenement betreft het op een openbare plaats op enige wijze voor publiek muziek ten gehore brengen, indien het aantal uitvoerenden niet meer dan drie bedraagt en er geen gebruik wordt gemaakt van geluidsversterkende apparatuur of van een draaiorgel;

    b. het een wedstrijd op de weg betreft, voor zover artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

  1. De burgemeester kan vrijstelling van het verbod als bedoeld in het eerste lid verlenen voor door hem aan te wijzen evenementen.

  2. De burgemeester kan voor de evenementen waarvoor op grond van het elfde lid vrijstelling is verleend algemene voorschriften vaststellen.

Artikel 2:10a

Indienen aanvraag

  1. De aanvraag voor een vergunning voor A-, B- en C-evenementen als bedoeld in artikel 2:10 lid 1, dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Voor een A-evenement dient de aanvraag uiterlijk acht weken voor de aanvang van het evenement plaats te vinden en uiterlijk twaalf weken voor de aanvang van een B- of C-evenement.

  1. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    a. De contactgegevens van de organisator;

    b. De locatie waar het evenement wordt gehouden;

    c. De datum en het tijdstip van het evenement;

    d. De inrichting van het evenemententerrein waaronder het op- en afbouwplan;

    e. De maatregelen om mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid te voorkomen;

    f. De omschrijving van het aard en het karakter van het evenement;

    g. Het te verwachten aantal deelnemers en bezoekers;

    h. Een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement plaatsvinden;

    i. Het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    j. De maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen;

    k. Een verkeers- en mobiliteitsplan wanneer sprake is van een impact op het verkeer.

  1. De burgemeester kan wegens bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van de in lid 1 genoemde termijnen.

Artikel 2:10b Weigeringsgronden

  1. De vergunning kan buiten behandeling worden gesteld indien niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:10a.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning geweigerd worden indien:

    a. de organisator van het evenement verplicht is het college een verzoek te doen om het evenement te plaatsen op de evenementenkalender, zoals opgenomen in artikel 2:10c, en de organisator niet aan deze eis heeft voldaan;

    b. de organisator van het evenement verplicht is het college een verzoek te doen om het evenement te plaatsen op de evenementenkalender, zoals opgenomen in artikel 2:10c, en het college heeft besloten het evenement niet op te nemen op de evenementenkalender;

    c. de ontheffing zoals bedoeld in artikel 2:10d geweigerd is door het college;

    d. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

    e. naar het oordeel van de burgemeester de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;

    f. van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefmilieu in de omgeving te verwachten is;

    g. tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen of indien de organisator in deze periode zich herhaaldelijk niet aan de vergunningvoorschriften of wettelijke voorschriften heeft gehouden;

    h. de organisator van een evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    i. het evenement verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel schade toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut.

Artikel 2:10c

Evenementenkalender

  1. Het college stelt jaarlijks vóór 1 januari een evenementenkalender vast op basis van de door de raad vastgestelde kaders met betrekking tot de vaststelling van de evenementenkalender. Deze kaders bestaan uit:

    a. De locatieprofielen voor evenementenlocaties waarin de criteria zijn opgenomen met betrekking tot aard en soort van het evenement, veiligheid, belasting voor de woon- en leefomgeving en duurzaamheid;

    b. De beleidsregels met betrekking tot het aantal evenementen en/of geluidbelastende evenementen in zijn totaliteit voor de gemeente en per locatie en de spreiding daarvan binnen de gemeente;

    c. De beleidsregels met kwaliteitscriteria waarbij de volgende criteria een rol spelen bij plaatsing op de evenementenkalender:

    i. Bijdragen aan de positie van 's-Hertogenbosch als toonaangevende datastad;

    ii. Bijdragen aan cultuurparticipatie en Cultuurstad van het Zuiden;

    iii. Zonder winstoogmerk en vrij en gratis toegankelijk;

    iv. Voor jongeren georganiseerd;

    v. Een lokale binding hebben;

    vi. Maatschappelijk en duurzaam ondernemen;

    vii. Afzien van het gebruik van vuurwerk.

  1. Degene die voornemens is een evenement te organiseren waarvoor een vergunning op grond van artikel 2:10 lid 1 vereist is, dient het college jaarlijks in de periode van 1 september tot 1 oktober te verzoeken het betreffende evenement te plaatsen op de evenementenkalender voor het volgende jaar. Het verzoek dient te geschieden door middel van een of namens het college vastgesteld formulier. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:10. Een verzoek gedaan voor 1 september van het jaar voorafgaand aan wanneer het evenement moet plaatsvinden, wordt buiten behandeling gesteld.

  1. De procedure totstandkoming van de evenementenkalender is als volgt:

    a. Aan de hand van een risicoscan wordt beoordeeld of het een vergunningsplichtig evenement met A, B of C classificatie betreft of dat volstaan kan worden met een melding.

    b. Verzoeken die volledig en vóór 1 oktober zijn ontvangen, worden gelijktijdig en gelijkwaardig in behandeling genomen.

    c. De verzoeken worden eerst getoetst aan de locatieprofielen. Verzoeken die in strijd zijn met de locatieprofielen worden een plaats op de evenementenkalender geweigerd.

    d. De verzoeken worden getoetst aan de beleidsregels met betrekking tot het aantal evenementen en/of evenementendagen en/of geluidbelastende evenementen in zijn totaliteit voor de gemeente en per locatie en de spreiding daarvan binnen de gemeente.

    e. Als er sprake is van verzoeken die in strijd zijn met beleidsregels zoals bedoeld onder lid 3, sub d, wordt voorrang gegeven aan de evenementen die:

    I. Bijdragen aan de positie van 's-Hertogenbosch als toonaangevende datastad;

    II. Bijdragen aan cultuurparticipatie en Cultuurstad van het Zuiden;

    III. Terugkerend evenement met een positieve integrale evaluatie;

    IV. Subsidie ontvangen vanuit de Gemeente 's-Hertogenbosch en/of Provincie Noord-Brabant;

    V. Zonder winstoogmerk en vrij en gratis toegankelijk zijn;

    VI. Voor jongeren georganiseerd worden:

    VII. Een lokale binding hebben:

    VIII. Maatschappelijk en duurzaam ondernemen.

    IX. Afzien van het gebruik van vuurwerk.

    f. Indien niet op basis van de criteria onder lid 3, sub e onder I tot en met IX een keuze uit de concurrerende aanmeldingen kan worden gemaakt, vindt een loting tussen deze aanmeldingen plaats.

    g. Voor zover de afweging zoals hiervoor in lid 3 onder e niet kan leiden tot een keuze en een loting moet plaatsvinden, worden de betreffende verzoeken niet meegenomen bij het vaststellen van de evenementenkalender. Na loting wordt het ingelote verzoek alsnog op de evenementenkalender geplaatst.

  1. Evenementen die na 1 oktober bij het college worden aangemeld, worden niet meer op de evenementenkalender geplaatst. Na vaststelling van de evenementenkalender wordt de organisatie verzocht een evenementenvergunning zoals bedoeld in artikel 2:10 aan te vragen.

  1. Het college kan beleidsregels vaststellen over de procedure van totstandkoming van de evenemtenkalender.

  1. Er hoeft niet te worden voldaan aan hetgeen gesteld is in lid 2 van dit artikel indien:

    a. het een 0-evenement betreft.

    b. het een bijzonder evenement is.

    c. het een evenement betreft waarvoor vrijstelling is verleend op grond van artikel 2.10 lid 11.

Artikel 2:10d

Onteffing voor niet aangemelde evenementen

  1. Het is verboden zonder een ontheffing van het college een evenement in de behandelclassificatie B en C te organiseren wanneer dit evenement niet als zodanig vermeld staat in de evenementenkalender.

  1. De aanvraag voor evenementenvergunning ex artikel 2:10 wordt automatisch aangemerkt als een verzoek tot ontheffing zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college de ontheffing weigeren indien:

    a. het evenement niet voldoet aan de voorwaarden in de locatieprofielen;

    b. het evenement niet voldoet aan de in artikel 2:10c lid 1 sub b vermelde beleidsregels.

  1. Het college kan ontheffing verlenen voor een bijzonder evenement wanneer dit bijzondere evenement in strijd is met de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 2:10c lid 1 sub b.

Artikel 2:11 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  1. De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een horeca-inrichting of seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf.

  1. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  1. Iedereen is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  1. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw of erf als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  1. Het is voor iedereen verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  1. Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan de personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist wordt.

  1. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2:12 Plakken en kladden

  1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  1. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak die vanaf de weg zichtbaar is:

    a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    b. met kalk, krijt, teer of een kleur of versfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  1. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  1. Het college wijst aanplakplaatsen aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  1. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  1. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  1. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:13

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  1. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als het aannemelijk is of aannemelijk wordt gemaakt dat de bedoelde werktuigen niet bestemd zijn om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  1. Het is verboden op openbare plaatsen, in een winkel en in de nabijheid van een winkel een tas of een ander voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  1. Het in et derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:14

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden:

    a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair.

    b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan gebruikers van nabij de weg gelegen onroerende zaken onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt.

  1. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:14a

Groepsfietsen

  1. Het is de bestuurder van een groepsfiets verboden zich met een groepsfiets te bevinden op door de burgemeester aangewezen gebieden, wegen of weggedeelten.

  1. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder bestuurder van een groepsfiets tevens verstaan, de aanbieder of exploitant van een groepsfiets.

  1. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:14b

Straatmuzikanten

  1. Het is verboden om als straatmuzikant voor publiek op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten.

  1. De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot nader door hem aan te duiden dagen en uren.

  1. De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod.

  2. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:15

Verboden drankgebruik en glasoverlast

  1. Het is verboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende dranken te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben indien dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of dit anderszins overlast veroorzaakt of indien hiervoor gerechtvaardigde vrees bestaat.

  1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen, alcoholhoudende drank te nuttigen of in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke bij zich te hebben.

  1. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor:

    a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

  1. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, tijdens een door het college aangewezen periode, glaswerk zoals al dan niet aangebroken flessen, glazen e.d. bij zich te hebben.

  1. Het bepaalde in het vierde lid geldt niet voor glaswerk dat zodanig is verpakt dat het niet voor onmiddellijk gebruik kan worden aangewend.

  1. Onder glaswerk als bedoeld in dit artikel, wordt verstaan alle glassoorten die in scherven uiteen kunnen vallen.

Artikel 2:15a

Glasverbod (horeca)bedrijven

  1. Het is verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode, drank te verstrekken in drinkgerei van glas of in flessen van glas. Dit geldt voor:

    - de houder van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Horecaverordening 's-Hertogenbosch 2017 respectievelijk van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet;

    - een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht;

    - een warenhuis;

    - een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk gerede etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht, niet zijnde een horecalokaliteit;

    verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode, drank teverstrekken in drinkgerei van glas of in flessen van glas.

  1. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:

    a. in het inpandige gedeelte van een restaurant, van een afgescheiden restaurantgedeelte van een horecabedrijf, van een hotel of van een pension, dan wel op daarbij horende, niet aan de weg gelegen terrassen.

    b. voor glaswerk dat zodanig is verpakt of wordt vervoerd dat het aannemelijk is dat het niet voor onmiddellijk gebruik zal of kan worden aangewend.

  1. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:16

Verboden gedragen bij of in gebouwen

  1. het is verboden:

    a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  1. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:17 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwiliestalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:17a

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  1. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

  1. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    a. geluid- of geurhinder;

    b. hinder van dieren;

    c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:18

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan degene die een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende 48 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd.;

  1. De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgeleged en ten aanzien van wie wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd;

  1. Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien het strafbare feit wordt geconstateerd binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod op grond van het eerste of tweede lid;

  1. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde verboden indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is, of in verband met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord;

  1. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

Artikel 2:19

Neerzetten van fietsen e.d.

  1. Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid, aangewezen plaatsen op de weg, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimte of plaatsen te laten staan.

  1. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan.

  1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan de door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

Artikel 2:20

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

  1. Het is verboden met een fiets, bromfiets of een ander voertuig overlast of hinder te veroorzaken of te doen laten veroorzaken op een terrein waar en gedurende de tijden dat een warenmarkt, kermis, muziek- of toneeluitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden.

  1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden zich met een fiets, bromfiets of een ander voertuig te bevinden op door het college of de burgemeester (ieder voor zover het de eigen bevoegdheid betreft) aangewezen uren en plaatsen op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:21

Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond binnen de gemeentegrenzen te laten verblijven of te laten lopen:

    a. op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;

    b. op een voor het publeik toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of op een andere door het college aangewezen plaats;

    c. zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  1. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.

  1. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Artikel 2:22

Verontreiniging door honden

  1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

    a. op een gedeelte van een openbare plaats dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers;

    b. op een voor het publeik toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats of zandbak;

    c. op een andere door het college aangewezen plaats.

  1. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod bedoeld in het eerste lid, onder a niet geldt.

  1. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  1. Degene die zich met een hond op of aan een openbare plaats bevindt is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep.

  1. Burgemeester en wethouders kunnen eisen vaststellen waaraan dit hulpmiddel ten minste moet voldoen, wil het doeltreffend zijn.

Artikel 2:23

Gevaarlijke honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

    a. anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

    b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:21, eerste lid onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.

  1. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    a. muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is inericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een eringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

    b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

Artikel 2:24

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    a. aanwezig te hebben, of

    b. aanwezig te hebben anders danmet inachtingneming van de door hen gestelde regels, of

    c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  1. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtingeming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven.

  1. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 2:25

Drugsoverlast op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:26

Verzameling van personen in verband met drugs

  1. Het is verboden op een openbare plaats, aan een verzameling personen deel te nemen indien deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet.

  1. Iedereen, die zich bevindt in een vezameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar direct zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:27

Openlijk gebruik

Het is verboden op een openbare plaats, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:28

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig aritkel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:3, 2:4, 2:14, 2:15, 2:16, 2:17, 2:32, 2:33, 5:27 groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:29

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:30

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera's voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  1. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van parkeergelegenheden die voor iedereen toegankelijk zijn.

Artikel 2:31

Betaald voetbalwedstrijden

  1. Voor de toepassing van deze Afdeling wordt verstaan onder:

    a. organisator:

    i. de betaald voetbalorganisatie FC Den Bosch, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie FC Den Bosch als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie;

    ii. de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente 's-Hertogenbosch, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken of in geval van wedstrijden van vertegenwoordigende elftallen;

    iii. degene die buiten de gevallen, genoemd onder i. en ii. een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken.

    b. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a;

    c. voetbalsupporter: iedereen die zich door kleding, uitrusting, meegevoerde voorwerpen of gedragingen manifesteert als aanhanger van een betaald voetbalorganisatie;

    d. stadion: stadion De Vliert

    e. omgeving van het stadion: Stadionlaan - Van Grobbendoncklaan - Westenburgerweg - Muntelbolwerk - Graafseweg - Hintham - De Grote Elst - Stadionlaan.

Artikel 2:32

Voetbalvergunning

  1. Het is de organisator verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. Een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen.

  1. De organisator dient een aanvraag om vergunning uiterlijk vier weken vóór de datum van de voetbalwedstrijd in.

  1. De burgemeester kan van de in het tweede lid genoemde termijn afwijken en de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.

  1. Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:33

Verbod voetbalwedstrijd en aanwijzing risicowedstrijd

  1. De burgemeester kan een voetbalwedstrijd verbieden:

    a. uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;

    b. met het oog op de becherming van de veiligheid of volksgezondheid;

    c. indien de aan de voetbalvergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nageleefd.

  1. De burgemeester kan op elk moment een voetbalwedstrijd aanwijzen als een risicowedstrijd, als naar zijn oordeel daaraan een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde, veiligheid of volksgezondheid.

Artikel 2:34

Orde in verband met voetbalwedstrijden

  1. Vanaf vier uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd tot vier uur na afloop van een voetbalwedstrijd is het verboden om op een openbare plaats in de omgeving van het stadion stenen, stokken, metalen voorwerpen, flessen, brandbare stoffen of andere voorwerpen bij zich te hebben met het kennelijke doel om de openbare orde te verstoren..

  1. Het is verboden om in het stadion de orde te verstoren.

Artikel 2:34a

Aangewezen routes en verplichte combi(vervoers)regeling

  1. Het is een voetbalsupporter verboden op de dag waarop een risicowedstrijd wordt gespeeld, zich te begeven of te bevinden buiten de door de burgemeester of de politie aangewezen routes.

  1. Het is een voetbalsupporter van een bezoekende voetbalorganisatie verboden op de dag waarop een risicowedstrijd wordt gespeeld gebruik te maken van andere manieren van vervoer naar en van het stadion dan de door de burgemeester voorgeschreven combi(vervoers)regeling.

Artikel 2:34b

Verwijderingsplicht voetbalsupporters

Iedere voetbalsupporter tegen wie het vermoeden bestaat dat hij voornemens is de orde te verstoren, of niet in het bezit is van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd, is verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.

Artikel 2:34c Stadionomgevingsverbod

  1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van voetbalwedstrijden. Het verbod geldt voor een bepaalde periode, welke niet langer is dan twee jaar.

  1. De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het eerste lid bedoelde verbod:

    a. nadat vast is komen te staan dat de persoon de openbare orde in het stadion of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een voetbalwedstrijd wordt gespeeld.

    b. aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.

  1. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste lid opgelegd verbod.

Artikel 2:35

Aanwijzen gebieden naaktrecreatie

Als geschikt voor naaktrecreatie wordt aangewezen een met borden "naaktstrand" aangegeven gedeelte van het strandbad aan het Engelermeer, gelegen aan de westzijde van het meer.

Artikel 2:36

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:37

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte ofongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    c. een omschrijving en een foto van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed.

    e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  1. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  1. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:38

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  1. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  1. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  1. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:39

Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend.

    b. beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

    c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of indien er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan - indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is - eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of

    b. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteit, of

    c. in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadeling wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

    e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 5.1 van de Omgevingswet;

    h. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  1. Naast en aanvulling op artikel 1:4 lid 1 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het derde lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.

  1. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    b. het adres, e-mailadres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activieiten worden uitgeoefend;

    c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    f. een verklaring omtrent gedrag (VOG);

    g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de rimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd;

    h. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagde exploitatievergunning betrekking heeft;

    i. indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen:

    a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    b. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadeling wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

    e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strid met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 5.1 van de Omgevingswet;

    g. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    h. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    i. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    j. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of

    k. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.

  1. Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet.

    Voordat daaraan toepassing wordt gegegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

  1. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, van toepassing is.

  1. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.

  1. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.

  1. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.

  1. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

  1. Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt.

  1. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1. van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

b. jaarwisseling: de periode gelegen tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar.

Artikel 2:41

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  1. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:42

Carbidschieten

  1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

  1. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.

  1. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:43

Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

  1. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen (of voorwerpen) als bedoeld in artikel 2:42 lid 1 te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze stoffen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:42.

  1. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die het aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  1. Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening 's-Hertogenbosch 2016