Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen

Artikel 3:1

Afbakening

De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2

Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  1. advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

  2. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

  3. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

  4. escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

  5. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

  6. klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

  7. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  8. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  9. prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

  10. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

  11. seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf.

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf

Artikel 3:3

Vergunning

  1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

  2. Alleen voor seksbedrijf zijnde een escortbedrijf wordt vergunning verleend.

  3. Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen.

  4. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

  6. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld.

Artikel 3:5

Beperking aantal vergunningen

Er kan voor in totaal ten hoogste twee escortbedrijven vergunning worden verleend.

Artikel 3:6

Aanvraag

  1. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

  2. de persoonsgegevens van de exploitant;

  3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

  4. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor seksbedrijf is ingetrokken;

  5. het adres waar het escortbedrijf wordt uitgeoefend;

  6. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het escortbedrijf zal worden gebruikt;

  7. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

  8. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

  9. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

  10. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de uitoefening van het escortbedrijf.

  11. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 3:7

Weigeringsgronden

  1. Een vergunning wordt geweigerd als:

  2. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

  3. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

  4. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

  5. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

  6. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

  7. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het escortbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

  8. de exploitant minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

  9. de exploitant minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;

2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  1. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt;

  2. de voorgenomen uitoefening van het escortbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan.

  3. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld:

  4. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

  5. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.

  6. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  7. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  8. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

  9. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

  10. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

  11. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een escortbedrijf waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die escortbedrijf eerder zonder vergunning is uitgeoefend;

  12. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het escortbedrijf waarvoor de vergunning is aangevraagd;

  13. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.

Artikel 3:8

Eisen met betrekking tot vergunning

  1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

  2. de naam van de exploitant;

  3. voor welke activiteit de vergunning is verleend;

  4. het adres waar het escortbedrijf wordt uitgeoefend;

  5. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het escortbedrijf zal worden gebruikt;

  6. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

  7. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

  8. het nummer van de vergunning.

Artikel 3:9

Intrekkingsgronden

  1. De vergunning wordt ingetrokken als:

  2. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

  3. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

  4. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:13 of 3:14;

  5. zich binnen het escortbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

  6. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;

  7. de vergunninghouder dat verzoekt;

  8. de uitoefening van het escortbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan.

  9. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:

  10. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

  11. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

  12. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant is geworden;

  13. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

  14. zich binnen het escortbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

  15. de exploitant het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

  16. er bij het escortbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

  17. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:9a

Beëindiging exploitatie

  1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:11

Verlenging vergunning

gereserveerd

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf

Artikel 3:12

Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

gereserveerd

Artikel 3:13

Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een escortbedrijf:

  1. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder d, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder g, en van de bedrijfsnaam;

  2. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en

  3. onveilige seks aan te bieden.

Artikel 3:14

Leeftijd en verblijfstitel prostituees

Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

  1. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

  2. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000

Artikel 3:17

Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf

gereserveerd

Artikel 3:19

Straatprostitutie

Het is verboden op een openbare plaats of op, aan of in een andere vanaf de openbare plaats zichtbare plaats zich op te houden met het kennelijke doel te prostitueren of seksuele handelingen te verrichten in het kader van prostitutie.

Artikel 3:20

Handhaving straatprostitutie

Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19 kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

Artikel 3:21

Verbodsbepalingen klanten

Het is verboden op een openbare plaats of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

Artikel 3:22

Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg