1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

  2. houtopstand: hakhout, een houtwal, een of meer bomen of een (grotere) lintbegroeiing van heesters en/of struiken;

  3. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  4. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een stamomtrek van meer dan 50 cm op een hoogte van 1,3 m boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam;

  5. dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

  6. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  7. rechthebbende: eenieder die over enig goed enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  8. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, als bedoeld in artikel 4.1, onder a, van de Wet natuurbescherming;

  9. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);

  10. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.

  11. boomwaarde: het bedrag dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren:

  12. De oppervlakte in cm² van de dwarsdoorsnede op 1,3 m boven het maaiveld;

  13. De eenheidsprijs per cm²;

  14. De standplaatswaarde;

  15. De conditiewaarde;

  16. De waarde van de plantwijze;

  17. Het college stelt de eenheidsprijs, standplaatswaarde, conditiewaarde en waarde van de plantwijze vast.

  18. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.