1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Bij de aanvraag voor vergunning wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overgelegd.

  3. Aan de vergunning worden in ieder geval voorschriften verbonden indien door het realiseren van de gewenste uitweg:

  4. gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het wegverkeer ter plaatse;

  5. het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt;

  6. de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad.

  7. In afwijking van artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van:

  8. de bruikbaarheid van de weg;

  9. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

  10. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

  11. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  12. Het bevoegd gezag weigert de vergunning in ieder geval indien door de aanleg van een uitweg of de verandering van een bestaande uitweg een voor het verkeer gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het verbinden van voorschriften aan de vergunning kan worden voorkomen.

  13. Het bevoegd gezag weigert de vergunning indien de aanleg of verandering van de uitweg in strijd is met het omgevingsplan.

  14. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.