Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 16-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Algemene bepalingen

Artikel 1:1

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

  • bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet;

  • bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • college: het college van burgemeester en wethouders;

  • gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan en de weg;

  • rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  • voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen;

  • weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:2

Beslistermijn

  1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste vier weken verdagen.

  3. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25 eerste lid, artikel 2:28 eerste lid, artikel 2:29 eerste lid, artikel 2:39 eerste lid en artikel 3:4 eerste lid.

  4. Op aanvragen als bedoeld in het derde lid beslist het bevoegde orgaan binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  5. In afwijking van het tweede lid kan het bestuursorgaan de termijn uit het derde lid voor ten hoogste acht weken verdagen.

  6. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:3

Indienen aanvraag

  1. In geval van een B- of C- evenement zoals genoemd in artikel 2:24 derde lid onder c of d, geldt een indieningstermijn van uiterlijk 13 weken voorafgaande aan de datum van het desbetreffende evenement.

  2. In geval van een A-evenement zoals genoemd in artikel 2:24 derde lid onder b, geldt een indieningstermijn van uiterlijk 8 weken voorafgaande aan de datum van het desbetreffende evenement

  3. In geval van een 0-evenement zoals genoemd in artikel 2:24 derde lid onder a, geldt een indieningstermijn van uiterlijk 3 weken voorafgaande aan de datum van het desbetreffende evenement.

Artikel 1:4

Voorschriften en beperkingen

  1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5

Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6

Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

  1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als;

  2. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  3. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  4. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  5. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  6. de houder dit verzoekt.

  7. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:7

Termijnen

  1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8

Weigeringsgrond

  1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    1. de openbare orde;

    2. de openbare veiligheid;

    3. de volksgezondheid;

    4. de bescherming van het milieu

  2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de beoogde datum van de aangevraagde activiteit binnen de beslistermijn valt, zoals bedoeld in artikel 1:2 en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

  3. Een vergunning voor een evenement kan ook worden geweigerd indien de aanvraag niet tijdig, zoals aangegeven in artikel 1:3, leden 1 en 2, is ingediend.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg