Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling 3. Evenementen
Afdeling 4. Toezicht op horecabedrijven
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit Alcoholwet
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk
Paragraaf
Afdeling 11. Drugsoverlast
Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Afdeling 13. Het tegen gaan van ondermijning
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Artikel 5:2

Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  1. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

  2. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  3. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

  4. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  5. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren of op de weg te laten neerzetten door personeel of door derden die gebruik maken van de diensten van het bedrijf binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

  6. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

Artikel 5:3

Te koop aanbieden van voertuigen

1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4

Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5

Voertuigwrakken

1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6

Kampeermiddelen en andere voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale Wegenverordening 2010 en/of in de provinciale nadere regels Wegenverordening 2010.

4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

  1. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;

  2. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Artikel 5:7

Reclamevoertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8

Grote voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

4. Het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9

Uitzichtbelemmerende voertuigen

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:11

Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

2. Dit verbod is niet van toepassing op:

3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  1. de weg;

  2. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

  3. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Artikel 5:12

Overlast van fietsen of bromfietsen

1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen langer dan achtentwintig dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking gebruik te maken van voorzieningen bestemd voor het stallen van fietsen of bromfietsen.

3. Het college stelt nadere regels op over de wijze waarop de bevoegdheid van lid 1 en lid 2 wordt uitgeoefend.

Artikel 5:13

Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

  1. in besloten kring; of

  2. door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of

  3. door een andere, door het college aangewezen instelling.

Artikel 5:14

Definitie

1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

2. Onder venten wordt niet verstaan:

  1. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

  2. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

  3. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15

Ventverbod

1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

2. Het is verboden te venten op zondagen, algemeen erkende feestdagen en maandag t/m zaterdag tussen 20:00 uur en 9:00 uur.

3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:17

Definitie

1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

  1. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

  2. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18

Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  1. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

  2. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

Artikel 5:19

Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20

Afbakeningsbepalingen

1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of voorzien door de provinciale Wegenverordening 2010 en/of in de provinciale nadere regels Wegenverordening 2010.

2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:22

Definitie

1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.

2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan:

  1. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

  2. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23

Organiseren van een snuffelmarkt

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

Artikel 5:24

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

2. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:25

Ligplaats vaartuigen

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of de provinciale landschapsverordening.

4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

6. Het in de vorige leden bepaalde geldt niet voor de haven en het havenkanaal als bedoeld in afdeling 10 van dit hoofdstuk.

  1. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

  2. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

Artikel 5:28

Beschadigen van waterstaatswerken

1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:29

Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30

Veiligheid op het water

1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de citeertitel provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:31

Overlast aan vaartuigen

1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:32

Crossterreinen

1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

  1. het voorkomen of beperken van overlast;

  2. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

  3. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

Artikel 5:33

Beperking verkeer in natuurgebieden

1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  1. het voorkomen van overlast;

  2. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

  3. de veiligheid van het publiek.

  4. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

  5. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

  6. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

  7. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

  8. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  9. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

  10. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Gelderland aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

Artikel 5:34

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Gelderland.

  1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

  2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

  3. vuur voor koken, bakken en braden.

Artikel 5:35

Definitie

In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36

Verboden plaatsen

1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.

4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

  1. verharde delen van de weg;

  2. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

Artikel 5:37

Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Artikel 5.38

Toepassing van deze afdeling

Het bepaalde in deze afdeling is uitsluitend van toepassing op de haven en het havenkanaal in Elburg.

Artikel 5.39

Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. havenmeester: de door of namens het college als zodanig aangewezen functionaris;

  2. schip: elk vaartuig daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten, hoe ook genaamd en van welke grootte, inhoud, toerusting of inrichting het ook zij;

  3. schipper: ieder, die aan boord van enig schip voortdurend of tijdelijk het gezag voert en bij ontbreken daarvan de rechthebbende op het schip;

  4. haven en havenkanaal: alle wateren vanaf het Drontermeer tot en met de havenkom, grenzend aan de vestingstad Elburg, voor zover in beheer bij de gemeente;

  5. ligplaats: vaste ligplaats of passantenligplaats;

  6. vaste ligplaats: een ligplaats bestemd voor de toewijzing van maximaal een jaar;

  7. passantenligplaats: een ligplaats voor vaartuigen die wordt toegewezen voor niet langer dan veertien aaneengesloten dagen;

  8. los- en laadplaats: gedeelte van de haven, bedoeld voor laad- en losactiviteiten van schepen;

  9. woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.

Artikel 5.40

Veilig vaargedrag

1. Het is verboden met een schip op zodanige wijze te varen of een lig- of laad- en losplaats in te nemen, dat de vrijheid van het scheepvaartverkeer, de veiligheid van de opvarenden of de veiligheid op het water zonder noodzaak in gevaar wordt gebracht of schade wordt of kan worden veroorzaakt.

2. Het is verboden zich op of in het water zodanig te gedragen dat daardoor hinder of last wordt of kan worden veroorzaakt.

3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening van toepassing is

Artikel 5.41

Verstoring orde en rust

1. Het is verboden:

2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening van toepassing is

  1. te varen in de nabijheid van wedstrijden, waterfeesten, demonstraties of soortgelijke gebeurtenissen;

  2. ligplaats in te nemen in de nabijheid van als zodanig aangeduide broed- en rustplaatsen van waterwild.

Artikel 5.42

Vastleggen schepen

1. De rechthebbende op een schip is verplicht zodanige maatregelen te treffen dat dit vaartuig niet onbestuurd in openbaar vaarwater terecht kan komen.

2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening van toepassing is.

Artikel 5.43

Aanwijzingen havenmeester

1. De schipper is verplicht de aanwijzingen van de havenmeester, te geven in het belang van de vrijheid van het scheepvaartverkeer, de veiligheid van de opvarenden, de veiligheid te water en alle overige aanwijzingen in het belang van een ordelijk havenverkeer, stipt en onverwijld op te volgen.

2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, d Telecommunicatiewet op de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening van toepassing is.

Artikel 5.44

Voorwerpen op of in het water

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.24, eerste lid, is het toegestaan om in, onder of over het water en de aanlegsteigers kabels, kettingen, touwen of draden, voor zover dienende tot het meren of slepen van voertuigen, te leggen of te hebben.

2. De havenmeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, milieuhygiëne, het aanzien van de gemeente en de waarborging van de naleving van de overige bepalingen in deze afdeling, aan het in het eerste lid gestelde beperkingen stellen.

3. Aanwijzingen van de havenmeester, ter effectuering van de in de tweede lid genoemde beperkingen, dienen strikt en direct te worden opgevolgd.

Artikel 5.45

Dreggen en schepen opleggen

1. Het is verboden zonder toestemming van de havenmeester:

2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening van toepassing is.

  1. in het water te dreggen, daarin naar voorwerpen te zoeken of daaruit voorwerpen te halen;

  2. een schip op te leggen.

Artikel 5.46

Slopen en baggerwerkzaamheden

Het is verboden zonder vergunning van het college in het havenkanaal of in de haven een schip of wrak te slopen of baggerwerkzaamheden te verrichten.

Artikel 5.47

Verwijdering onbeheerde voorwerpen

De havenmeester kan niet of niet voldoende bemand zijnde schepen, onbeheerd drijvende balken, palen of andere voorwerpen weren, verhalen of in bewaring nemen voor rekening en risico van de rechthebbende op deze voorwerpen.

Artikel 5.48

Handelingen aan schepen door onbevoegden

1. Het is verboden zonder toestemming van de rechthebbende op een schip dat schip te betreden, daarop voorwerpen te plaatsen, het schip te verhalen, los te maken of anderszins daarop of daaraan handelingen te verrichten.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien deze handelingen worden verricht door of op aanwijzing van de havenmeester.

Artikel 5.49

Vaarbeperkingen

1. Het is verboden in de haven en het havenkanaal te varen:

2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, onder e, bepaalde.

3. Het in het eerste en het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening van toepassing is.

  1. met een schip dat een grotere diepgang en/of een grotere lengte en/of een grotere breedte heeft dan 2,50 meter respectievelijk 55 meter respectievelijk 7 meter;

  2. anders dan met gestreken zeilen;

  3. met een grotere snelheid dan 5 km. per uur;

  4. met een schip waarvan de lading nadelig is voor de volksgezondheid, gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid, overlast van ernstige aard veroorzaakt, of het aanzien van de gemeente schaadt;

  5. met naast elkaar gekoppelde of vastgemaakte schepen.

Artikel 5.50

Laden en lossen

1. Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen en goederen van welke aard ook, te laden, te lossen, over te slaan of op te slaan anders dan het gebruiksdoel van de ligplaats behorend.

2. Het is verboden goederen op zodanige wijze te laden, te lossen, over te slaan of op te slaan dat daardoor goederen in het water terechtkomen.

3. De schipper is verplicht in het water terechtgekomen goederen daaruit te verwijderen, zulks ten genoegen van de havenmeester.

Artikel 5.51

Innemen ligplaats

1. Het is verboden:

2. Het college kan in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente, van het bepaalde in het eerste lid, sub a, c, d, e en f ontheffing verlenen.

  1. een ligplaats in te nemen buiten de op grond van artikel 5.52 bestemde plaatsen;

  2. een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden in strijd met het bepaalde krachtens artikel (vergunningplicht vaste ligplaatsen) of 5.57 (toewijzing passantenligplaatsen);

  3. een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden indien daarvoor het verschuldigde havengeld niet is betaald;

  4. een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden met een schip dat bestemd is en gebezigd wordt voor het uitoefenen van een bedrijf of het al dan niet bedrijfsmatig aanbieden van goederen of diensten;

  5. een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden met een schip met het voornemen daarop of daaraan werkzaamheden te verrichten of te doen verrichten welke ten doel hebben het schip daarna te gebruiken als, dan wel te bestemmen tot een schip als bedoeld onder d;

  6. een ligplaats in te nemen met een schip met het voornemen daarop of daaraan werkzaamheden te verrichten of te doen verrichten welke ten doel hebben het schip daarna te gebruiken of te doen gebruiken als, dan wel te bestemmen tot een schip bestemd als woonschip.

Artikel 5.52

Indeling haven

1. Het college bepaalt welke delen van de haven en het havenkanaal worden bestemd als:

2. Het college wijst twee vaste ligplaatsen voor woonschepen aan. Elke ligplaats is bestemd voor één woonschip.

3. De op grond van het eerste lid vastgestelde indeling wordt vastgelegd en bijgehouden op een bij deze afdeling behorende kaart.

  1. los- en laadplaatsen;

  2. vaste ligplaatsen voor woonschepen;

  3. vaste ligplaatsen voor pleziervaartuigen en vissersschepen;

  4. passantenligplaatsen voor pleziervaartuigen en vissersschepen;

  5. ligplaatsen voor voormalige vissersschepen die door het gemeentebestuur van Elburg zijn aangewezen als varende monumenten;

  6. ligplaatsen voor een categorie schepen welke nader door het college kan worden bepaald.

Artikel 5.53

Vaste ligplaats

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een vaste ligplaats in te nemen of ingenomen te houden.

2. In de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld:

  1. naam, adres en woonplaats van de aanvrager;

  2. naam, adres en woonplaats van de eigenaar van het schip;

  3. verklaring dat aanvrager het gebruiksrecht van het schip heeft en het schip ook zelf gebruikt;

  4. lengte, breedte en diepgang van het schip;

  5. een zodanige omschrijving van het schip dat kan worden vastgesteld welke ligplaats volgens de in artikel 5.52 vastgestelde indeling, passend is voor het betreffende schip;

  6. de periode waarvoor de vergunning wordt aangevraagd indien de door aanvrager gewenste periode afwijkt van de periode en/of verlenging als bepaald in artikel 5.55A.

  7. Het college kan nadere regels stellen die voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk zijn.

  8. In de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

  9. naam, adres en woonplaats van de vergunninghouder;

  10. lengte, breedte en diepgang van het schip;

  11. de periode waarvoor de vergunning wordt verleend.

Artikel 5.54

Wachtlijsten vaste ligplaatsen

1. Het college stelt per categorie vaste ligplaatsen als bedoeld in artikel 5.52, lid 1, sub b,c,e en f een wachtlijst op, waarop aanvragen voor een vaste ligplaats op volgorde van binnenkomst staan vermeld.

2. Voor plaatsing op een wachtlijst is vereist dat de aanvrager verklaart het gebruiksrecht van het schip te hebben en het schip ook zelf gaat gebruiken indien een ligplaats wordt toegewezen.

3. In de aanvraag voor plaatsing op de wachtlijst wordt in ieder geval vermeld:

4. Plaatsing op de wachtlijst geschiedt op de dag dat door het college wordt vastgesteld dat aan het gestelde in het derde lid is voldaan en de gegevens en verklaring als zijnde waarheidsgetrouw worden bevonden.

5. Op de wachtlijst wordt in ieder geval aantekening gehouden van:

6. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.56, lid 5, geschiedt verwijdering van de wachtlijst door het college op één van de volgende gronden:

7. Het college kan nadere regels stellen over de toepassing van een wachtlijst voor vaste ligplaatsen.

  1. de gegevens als bedoeld in artikel 5:53, lid 2;

  2. de verklaring als bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

  3. de datum van plaatsing op de wachtlijst;

  4. de voor de aanvraag als bedoeld in het derde lid benodigde gegevens.

  5. op aanvraag van degene die de plaatsing op de wachtlijst heeft aangevraagd dan wel door degene die kan aantonen gerechtigd te zijn namens en in het belang van de aanvrager te handelen;

  6. door verlening van een vergunning voor een vaste ligplaats;

  7. indien, door het innemen van een ligplaats, gevaar, schade of hinder kan ontstaan voor de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne of het aanzien van de gemeente;

  8. indien aanvrager redelijkerwijs geen belang meer heeft bij plaatsing op de wachtlijst;

  9. indien degene die de plaatsing op de wachtlijst heeft aangevraagd een aangeboden ligplaats niet aanvaardt.

Artikel 5.55

Vergunningverlening vaste ligplaatsen

1. Verlening van een vergunning voor vaste ligplaatsen geschiedt in de volgende rangorde:

2. Een vergunninghouder verkrijgt geen recht op een specifieke ligplaats; indien een efficiënt gebruik van de ruimte in de haven dit gewenst maakt kan door de havenmeester een andere ligplaats worden aangewezen, zonder dat vergunninghouder enig recht op schadevergoeding heeft of compensatie voor wijziging van faciliteiten.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd indien verlening van de vergunning schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  1. aanvragers aan wie reeds een vergunning, niet zijnde een vergunning als bedoeld in artikel 5.56 is verleend voor de voorafgaande periode;

  2. aan aanvragers als bedoeld onder in het eerste lid, onder a, worden gelijkgesteld vergunninghouders die een aanvraag indienen voor een ligplaats voor een ander schip binnen dezelfde categorie, doch ongeacht de grootte van het schip;

  3. aanvragers die overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.54 volgens de volgorde van datum van plaatsing op de wachtlijst staan vermeld;

  4. aanvragers, die niet op een wachtlijst als bedoeld in artikel 5.53 staan vermeld, op volgorde van de datum van ontvangst van de aanvraag, die voldoet aan de eisen als gesteld in artikel 5.53, tweede lid.

Artikel 55A Tijdsduur vergunning

1. De vergunning voor een vaste ligplaats wordt verleend voor de periode, eindigende op 31 december van het jaar van vergunningverlening, behalve als de vergunning uitdrukkelijk voor een kortere periode wordt verleend.

2. Een vergunning voor een vaste ligplaats wordt jaarlijks, per kalenderjaar, automatisch verlengd, behalve als:

  1. vergunninghouder geen gebruik meer wil maken van de vergunning; vergunninghouder dient dit uiterlijk 2 maanden voor afloop van een kalenderjaar te melden aan het college;

  2. het college voor het einde van het kalenderjaar aan vergunninghouder meedeelt dat de vergunning niet wordt verlengd.

Artikel 55B Tijdelijk toewijzen andere vaste ligplaats

1. Het college kan jaarlijks maximaal 10 dagen aanwijzen waarop een vergunninghouder geen gebruik kan maken van een toegewezen vaste ligplaats.

2. Aan de vergunninghouder die op grond van lid 1 geen gebruik kan maken van een toegewezen vaste ligplaats wordt, tenzij de aard van het schip en de beschikbare ligplaatsen het onmogelijk maken, een andere ligplaats toegewezen.

3. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor woonschepen.

Artikel 5.56

Tijdelijke toewijzing

1. Een vaste ligplaats is tijdelijk niet toewijsbaar in geval van:

2. Het college is bevoegd in geval een vaste ligplaats tijdelijk niet toewijsbaar is, vergunning te verlenen voor maximaal drie maanden. De periode kan voor maximaal drie maanden worden verlengd.

3. De belangen als bedoeld in artikel 5.55, tweede lid, zijn bij de vergunningverlening voor een tijdelijke vaste ligplaats van overeenkomstige toepassing.

4. Degene aan wie tijdelijk een vergunning is verleend voor een vaste ligplaats, kan na afloop van de vergunningperiode, geen aanspraak maken op toewijzing van zijn aanvraag voor een andere vaste of passantenligplaats. Hij wordt ook niet aangemerkt als houder van een passantenligplaats als bedoeld in artikel 5.57.

5. Toewijzing van een tijdelijke ligplaats heeft geen verwijdering van een eventuele plaatsing op de wachtlijst, als bedoeld in artikel 5.54 tot gevolg.

  1. het ontbreken van passende gegadigden, blijkende uit het ontbreken van een passende inschrijving op de voor de vaste ligplaats geldende wachtlijst en het ontbreken van aanvragen voor deze ligplaats, en er voorts op korte termijn ook geen passende aanvraag wordt verwacht.

  2. noodzakelijke beheers- en onderhoudswerkzaamheden in of nabij de haven of havenkanaal.

Artikel 5.57

Passantenligplaatsen

1. Het is verboden zonder toestemming van de havenmeester een passantenligplaats in te nemen of ingenomen te houden.

2. De toestemming kan mondeling en schriftelijk worden verleend en geschiedt op aanvraag.

3. In de aanvraag wordt in ieder geval vermeld:

4. De aanvrager is verplicht eventuele overige voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens aan de havenmeester te verschaffen.

5. De toestemming geldt slechts voor de aanvrager en het in de aanvraag vermelde schip.

6. Een woonschip mag als passant maximaal veertien aaneengesloten verblijven.

  1. naam, adres en woonplaats van de aanvrager;

  2. lengte, breedte en diepgang van het schip;

  3. een zodanige omschrijving van het schip dat door de havenmeester kan worden vastgesteld welke ligplaats, volgens de in artikel 5.52 vastgestelde indeling, passend is voor het betreffende schip;

  4. de periode waarvoor de toestemming wordt aangevraagd.

Artikel 5.58

Toe- en afwijzing passantenligplaatsen

1. Ligplaatsen voor passanten worden toegewezen op volgorde van datum van ontvangst van de aanvragen.

2. De havenmeester kan op basis van de volgende gronden afwijken van de in het eerste lid genoemde volgorde:

3. In afwijking van het bepaalde in dit artikel kan het college bepalen dat een of meerdere passantenligplaatsen voor een bepaalde periode niet worden toegewezen.

  1. ten behoeve van werkzaamheden in het belang van de instandhouding of wijziging van het havenkanaal, de waterkwaliteit, de kades en de overige tot de haveninfrastructuur behorende voorzieningen;

  2. vanwege een evenement als bedoeld in artikel 2.24 indien het evenement in of nabij de haven en het havenkanaal plaatsvindt en voor de organisatie van het evenement ligplaatsen nodig zijn dan wel dat toewijzing van ligplaatsen onevenredige schade, gevaar of hinder toebrengt aan het evenement;

  3. in het belang van de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg