1. De burgemeester kan een openbare inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren:

    1. als die openbare inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    2. als één van de in artikel 2:28, lid 1, artikel 2:30 of artikel 2:32 genoemde situaties zich voordoet;

    3. als die openbare inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning of exploitatieplan verbonden voorschriften;

    4. op grond van een van de in artikel 1:8, eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde belangen.

  2. Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de openbare inrichting aangebracht en blijft aangebracht zolang de sluiting van kracht is.

  3. Een sluiting kan op aanvraag van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de situatie die tot de sluiting heeft geleid, zal plaatsvinden.

  4. Het is een ieder verboden om in een overeenkomstig het eerste lid gesloten openbare inrichting te verblijven.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het gestelde in lid 4.