1. Het is verboden een openbare inrichting en het daarbij behorende terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De exploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd, tenzij de burgemeester bij de vergunning anders bepaalt.

  3. De exploitatievergunning vervalt:

    1. zodra de exploitant de exploitatie van de openbare inrichting heeft beëindigd;

    2. als de openbare inrichting om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht gedurende twaalf aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd;

    3. als een nieuwe exploitatievergunning voor de openbare inrichting is verleend.

  4. De burgemeester bepaalt welke gegevens en bescheiden bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.

  5. Op de aanvraag om een vergunning, ontheffing of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.