1. Onder openbare inrichting wordt verstaan:

    1. Een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend.

    2. Een besloten ruimte die voor het publiek toegankelijk is, zoals:

      1. een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, zalenverhuurgelegenheid of clubhuis;

    3. Of een andere ruimte waar:

      1. bedrijfsmatig, of in een omvang alsof dit bedrijfsmatig is, logies wordt verstrekt;

      2. amusement of ontspanning wordt aangeboden;

      3. gelegenheid wordt geboden, anders dan tegen betaling, tot het verrichten van seksuele handelingen;

      4. dranken, rookwaren of spijzen worden bereid, verstrekt of meegenomen voor directe consumptie ter plaatse.

    4. Een buitenruimte die grenst aan de onder lid 1 genoemde besloten ruimtes, waar zit- of stagemogelijkheden worden geboden en waar dranken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid, verstrekt of meegenomen. Deze buitenruimte wordt voor de toepassing van deze paragraaf beschouwd als onderdeel van de besloten ruimte.

  2. Exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend;

  3. Leidinggevende: de natuurlijke persoon, die onmiddellijke feitelijke leiding geeft aan de openbare inrichting;

  4. Bezoeker: een ieder die zich in het horecabedrijf bevindt, met uitzondering van:

    1. personeel van het horecabedrijf;

    2. personen waarvan de aanwezigheid in het horecabedrijf wegens dringende redenen noodzakelijk is.