Algemene plaatselijke verordening gemeente Buren 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen, seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats:

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing,

      is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid van dit artikel.

  5. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige- en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 120 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam en adres van degene die de betoging houdt;

    2. het doel van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

    5. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden een kennisgeving in behandeling nemen, die buiten de in het eerste lid genoemde termijn is ontvangen.

Artikel 2:10

Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan

  1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

    1. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg of voor de verkeersveiligheid;

    2. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dit naar het oordeel van de welstandscommissie.

    3. er gebruik wordt gemaakt van verkeersborden, verwijzingsborden, waarschuwingshekken of ander straatmeubilair.

    4. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

  2. Het college van burgemeester en wethouders kan voor bepaalde vormen van gebruik van de weg vrijstelling verlenen van het bovenstaande verbod. Het college kan hiervoor nadere regels stellen.

  3. Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van de aanwezigheid van spandoeken en uitstallingen.

  4. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod.

  5. Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op de reclame-uitingen op rotondes waarbij gebruik wordt gemaakt van reclameborden met een maximale omvang van 40 bij 60 centimeter en voor die rotonde een adoptie-overeenkomst is gesloten.

  6. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet:

    1. als het gebruik van de weg of een weggedeelte is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 (evenementenvergunning);

    2. voor de exploitatie van terrassen als bedoeld in artikel 2:27 van deze verordening;

    3. als het gebruik van de weg of een weggedeelte is toegestaan op grond van artikel 5:18 van deze verordening;

    4. indien dit bij of krachtens wettelijk voorschrift nadrukkelijk is toegestaan.

  7. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de geldende Omgevingsvergunning Gelderland of waterschapsverordening of op situatie waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en de Algemene Verordening Kabels en Leidingen.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  2. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden.

  3. Het verbod s voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de geldende Omgevingsvergunning Gelderland of waterschapsverordening of op situatie waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet en de Algemene Verordening Kabels en Leidingen.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    1. een uitweg te maken naar de weg;

    2. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    3. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels vaststellen waarin onder andere nadere toetsingscriteria worden vastgelegd.

  3. Onverminderd artikel 1:8 van deze verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden geweigerd in het belang van:

    1. de bruikbaarheid van de weg;

    2. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    3. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    4. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de geldende Omgevingsvergunning Gelderland of waterschapsverordening.

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2:15a

Veroorzaken van gladheid en verontreiniging ontstaan bij het laden, lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen of bij andere werkzaamheden

  1. Degene die gladheid en of verontreiniging op de weg veroorzaakt, dient deze terstond bij gevaar voor de verkeersveiligheid of bij gevaar voor beschadiging van het wegdek te reinigen.

  2. In overige gevallen (iedere dag) na het beëindigen van de werkzaamheden.

Artikel 2:16

Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:24

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoop- en theatervoorstellingen;

    2. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    3. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    4. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    4. een feest of wedstrijd op of aan de weg;

    5. markten die, al dan niet met enige beperking, in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats worden georganiseerd of toegelaten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld (snuffelmarkt e.d.);

    6. het plaatsen van een kraam, tafel of enig ander dergelijk middel in een voor het publiek toegankelijk gebouw om goederen aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, tenzij er gebruik wordt gemaakt van een ruimte die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik is als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet;

    7. vechtsportwedstrijden of –gala’s.

Artikel 2:25

Evenement

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren en te houden.

  2. Bij de indiening van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel worden de gegevens bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen aangeleverd.

  3. De vergunning kan voor een periode van maximaal vijf jaar worden verleend.

  4. De vergunning die voor een periode van meer dan 1 jaar is verleend, vervalt van rechtswege als zich wijzigingen voordoen die betrekking hebben op de organisatie, activiteiten, de locatie of de omvang van het evenement.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8, tweede lid van deze verordening, kan als een aanvraag om vergunning voor een evenement wordt ingediend minder dan tien weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt, de burgemeester besluiten de aanvraag te weigeren dan wel niet te behandelen.

  6. De burgemeester kan bepalen dat één of meer categorieën van evenementen dan wel evenementen in één of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente, zijn vrijgesteld van het verbod in het eerste lid van dit artikel.

  7. De burgemeester kan nadere voorschriften vaststellen en/of bepalen dat voor het houden van een evenement, waarvoor de burgemeester vrijstelling als bedoeld in het zesde lid van dit artikel heeft verleend, een voorafgaande melding aan de burgemeester is verplicht.

  8. De burgemeester kan het houden van een evenement als bedoeld in het zesde lid van dit artikel verbieden wanneer door het houden van het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  9. Het verbod van het eerste lid van dit artikel geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10, juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:26

Ordeverstoring

  1. Het is verboden tijdens een evenement de orde te verstoren.

  2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

  3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:27

Begripsbepalingen

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. openbare inrichting:

      1. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;

      2. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;

    2. winkelondersteunende horeca: een openbare inrichting die in hoofdzaak is gericht op het verstrekken van maaltijden, (alcoholhoudende) drank, consumptie-ijs e.d. aan winkelend publiek voor consumptie ter plaatse. Als winkelondersteunende horeca wordt in ieder geval gezien de horeca die is gevestigd in het bestemmingsplan Drieslag in Lienden.

    3. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

  2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

  1. De burgemeester kan aan de exploitatie van een openbare inrichting nadere voorschriften stellen dan wel de exploitatie van de openbare inrichting in zijn geheel verbieden, indien naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  2. Bij de toepassing van het eerste lid van dit artikel houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is, of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting.

  3. De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

  4. Het is verboden een terras te plaatsen of te exploiteren dat niet behoort tot de openbare inrichting.

  5. Het is verboden tapwagens en permanente tappunten te plaatsen op het terras. Het tijdelijk plaatsen van een mobiele biertap is wel toegestaan.

  6. Het is verboden spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.

  7. Het terras moet onmiddellijk aansluiten aan het besloten deel van de openbare inrichting of in de onmiddellijke nabijheid van het besloten deel van de openbare inrichting zijn gelegen.

  8. De exploitant van de openbare inrichting is gehouden te doen en te laten hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kan worden om hinder en overlast, veroorzaakt door in de inrichting en/of op het terras aanwezige bezoekers en/of door komende en vertrekkende bezoekers, te voorkomen of te beperken.

  9. Een vrije doorgang van ten minste 2 meter naar en van de openbare inrichting moet gegarandeerd zijn voor hulpverleningsdiensten zoals brandweer en ambulance.

  10. Brandkranen moeten vrij toegankelijk zijn. In een straal van 0.75 meter mogen geen voorwerpen worden geplaatst.

Artikel 2:28a

Alcoholhoudende drank in voer- en vaartuigen

Op vervoermiddelen op of aan de openbare weg of openbaar water, die bestemd zijn voor het vervoer van personen waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt is een medewerker aanwezig die voldoet aan de eis gesteld in artikel 8 lid 3 van de Alcoholwet.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

  1. Het is de houder van een openbare inrichting verboden deze voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  2. De burgemeester kan van het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod ontheffing verlenen en voor een afzonderlijke openbare inrichting een andere sluitingstijd of andere sluitingsuren vaststellen.

  3. Het is de houder van winkel-ondersteunende horeca verboden deze voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers toe te laten of te laten verblijven buiten de openingstijden zoals die zijn gegeven in de Winkeltijdenwet en de geldende Verordening Winkeltijden in de gemeente Buren.

  4. Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zondag tot en met donderdag van 23.00 uur tot 07.00 uur (van de volgende dag) en op vrijdag en zaterdag van 24.00 uur tot en met 07.00 uur (van de volgende dag).

  5. De burgemeester kan voor een bij een openbare inrichting behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen dan bepaald met toepassing van het tweede lid van dit artikel.

  6. Het in het eerste en tweede lid van dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  1. de orde te verstoren;

  2. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid van deze verordening.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

  1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

  2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 van deze verordening.

Artikel 2:34a

Begripsbepalingen

  1. Voor de toepassing van deze verordening wordt in deze afdeling verstaan onder:

    1. de wet: de Alcoholwet;

    2. vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de wet;

    3. paracommerciële inrichting: een inrichting waarin een paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het horecabedrijf exploiteert.

  2. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de overige begrippen in deze verordening verstaan hetgeen de wet daaronder verstaat.

Artikel 2:34b

Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

  1. Het is paracommerciële rechtspersonen uitsluitend toegestaan om in hun inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken binnen de volgende schenktijden:

    1. aansluiting te zoeken bij de sluitingstijden van artikel 2:29 van deze verordening, met dien verstande dat de aanvangstijd voor het schenken van alcoholhoudende dranken 12:00 uur is.

  2. De burgemeester kan een paracommerciële rechtspersoon in bijzondere omstandigheden in relatie tot de activiteiten van die rechtspersoon ontheffing van de voorgeschreven schenktijden in lid 1 van dit artikel verlenen.

Artikel 2:34c

Bijeenkomsten van persoonlijke aard

  1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar ten hoogste twintig bijeenkomsten van persoonlijke aard en/of bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  2. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk tien dagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het vorige lid, melding hiervan aan de burgemeester.

Artikel 2:34d

Verbod verstrekken alcoholhoudende drank

Het is verboden in een paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken gedurende de tijd dat deze inrichting wordt gebruikt voor activiteiten die geheel of in belangrijke mate zijn gericht op personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.

Artikel 2:34e

Verbod 'happy hours'

Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2:35

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft dan wel in verband met de uitoefening van beroep of bedrijf aan personen (werknemers) de mogelijkheid van nachtverblijf wordt verschaft.

Artikel 2:36

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:38

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht aan de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:39

Nachtverblijf op de weg in voertuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats in een voertuig te overnachten dan wel een dergelijk voertuig op de weg te parkeren met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken, of daarin te slapen.

  2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid van dit artikel geldt niet op een door het bevoegde gezag aangewezen camperparkeerplaats.

Artikel 2:40

Speelautomaten

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. Wet: de Wet op de kansspelen;

    2. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;

    3. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

    4. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

  2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.

  3. In laagdrempelige inrichtingen zijn geen kansspelautomaten toegestaan.

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. De burgemeester kan voorafgaande aan een besluit tot daadwerkelijke sluiting van een gebouw als bedoeld in dit artikel een schriftelijke waarschuwing geven.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  4. Een besluit krachtens artikel 174a van de Gemeentewet en artikel 13b Opiumwet tot sluiting van een woning of lokaal, of een waarschuwing voorafgaand aan het besluit tot sluiting, wordt ingeschreven in de openbare registers op grond van de Wet op de kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen.

  5. De burgemeester is bevoegd van het tweede en derde lid van dit artikel gestelde verbod ontheffing te verlenen voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of het daarbij behorende erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is en/of op een inzamelvoorziening voor afval :

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de in het vierde lid van dit artikel bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

  7. De houder van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap en dergelijke

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42 van deze verordening.

Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of vermommingsmiddelen te vervoeren, bij zich te hebben of te dragen.

  2. Dit verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken, het achterlaten van sporen te voorkomen en/of herkenning bij het plegen van voornoemde strafbare feiten te voorkomen.

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    2. een plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zich zonder redelijk doel:

    1. in een portiek of poort op te houden;

    2. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten wordt in elk geval verstaan: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a

Messen en andere voorwerpen als steekwapen

  1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:57

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond fysiek aangelijnd is;

    2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    3. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

    4. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a van dit artikel niet geldt.

  3. De verboden genoemd in het eerste lid onder a tot en met c van dit artikel gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleide hond of sociale hulphond laat begeleiden.

  3. De eigenaar, houder of verzorger van een hond is verplicht tijdens het verblijf met die hond op een plaats als bedoeld in het eerste lid, in het bezit te zijn van een zakje dat geschikt is voor de verwijdering van uitwerpselen.

  4. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod doen opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen in de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d van deze verordening, dient een hond als bedoeld in het eerste lid van dit artikel voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:62

Loslopend vee en pluimvee

  1. De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren (vee), varkens of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken.

  2. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien voor het bereiken van de overzijde van de weg rechtmatig gebruik wordt gemaakt van een vee-oversteekplaats die met dat doel in het leven is geroepen en als zodanig herkenbaar is.

Artikel 2:66

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

  2. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2:67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder sub a bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:71

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:72

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

Artikel 2:73

Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De in het eerste en tweede lid van dit artikel gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:73a

Carbid schieten

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    1. carbid schieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen;

    2. bus: een (originele) (melk)bus van staal/ijzer, container, opslagvat, buis of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp.

  2. Carbid schieten is verboden.

  3. Het in het tweede lid van dit artikel gestelde verbod geldt niet als:

    1. het carbid schieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 18.00 uur, en

    2. het carbid schieten plaatsvindt op een erf, behorende bij een woning buiten de bebouwde kom, waarbij gebruik wordt gemaakt van bussen met een maximale inhoud van 50 liter, en

    3. er wordt geschoten door een persoon van 16 jaar of ouder, niet onder invloed van alcohol/drugs, onder toezicht van één of meerdere personen van 18 jaar of ouder. Deze dienen de eigen veiligheid en die van het publiek te waarborgen, en

    4. er geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbid schieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens en milieu, en

    5. het terrein zodanig is afgezet dat toeschouwers niet in de schietrichting kunnen komen, en

    6. er gebruik wordt gemaakt van een zacht voorwerp (bijvoorbeeld een kunststof of leren bal) als afdichting van de bus, en

    7. de afstand vanaf de plek waar het carbid schieten plaatsvindt tot gebouwen van derden ten minste 100 meter bedraagt, en

    8. het vrijschootsveld ten minste 75 meter bedraagt; hierin liggen geen openbare paden of wegen, en

    9. er wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen, en

    10. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbid schieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan tien bussen worden gebruikt dan wel gebruiksklaar aanwezig worden gehouden voor carbid schieten, en

    11. het schietterrein goed verlicht is als het carbid schieten plaatsvindt na zonsondergang;

    12. wordt voldaan aan het gestelde bij of krachtens de Wet natuurbescherming.

  4. Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast in het belang van de natuurbescherming plaatsen aanwijzen waar het gestelde in het derde lid van dit artikel niet van toepassing is.

  5. Het college kan nadere regels vaststellen ter bescherming van de openbare orde en veiligheid.

  6. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het gestelde bij of krachtens de Wet Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 2:74

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:75

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1 (samenscholing en ongeregeldheden), 2:3 (betoging op openbare plaats), 2:10 (plaatsen van voorwerpen op of aan de weg), 2:11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), 2:16 (openen straatkolk e.d.), 2:26 (ordeverstoring), , 2:48 (verboden drankgebruik), 2:48a (verboden lachgasgebruik) 2:49 (verboden gedrag in of bij gebouwen), 2:50 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten), 2:50a (verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties) en 2:73 (gebruiken van vuurwerk) van deze Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77

Cameratoezicht

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

Artikel 2.78

Gebiedsontzeggingen

  1. De burgemeester kan aan een persoon die de artikelen uit afdeling 8 tot en met 11 van titel 2 van deze verordening overtreedt of in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat of strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  4. Het is verboden te handelen in strijd met het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod.

  5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2:79

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij de woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruikt geeft draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid van dit artikel in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    1. geluid- of geurhinder;

    2. hinder van dieren;

    3. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    4. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    5. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:80

Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.

  4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.

  6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:81

Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28.

b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;

c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.

3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.

4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:

a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;

b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;

c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister;

e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;

f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;

g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;

e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.

6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.

7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.

9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:

a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of

f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

11. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven.

12. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

13. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Buren 2025