1. Het is verboden een houtopstand te vellen of te doen vellen, wanneer deze houtopstand voorkomt op de door het college vast te stellen lijst van waardevolle bomen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een beschermde houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving van het college of ten behoeve van dunning, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:11d en 4:11e van deze verordening.

  3. Het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

  4. Het bevoegd gezag kan van het verbod in het eerste lid van dit artikel ontheffing verlenen als:

    1. een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand;

    2. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade en er geen passend alternatief voorhanden is.

  5. Een ontheffing wordt in ieder geval verleend wanneer het vellen of doen vellen van de houtopstand geschiedt met het oog op het voldoen aan een verplichting op grond van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek.

  6. Het bevoegd gezag kan aan de ontheffing voorschriften verbinden.