1. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen in deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 van deze verordening daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  2. In afwijking van het eerste lid van dit artikel is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, 2:12, eerste lid en 4:11a, vierde lid van deze verordening.

  3. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 4:7a lid 1, 4:7b lid 2, 4:7b lid 3, 4:7c, 4:7d lid 1, 4:7e lid 1a, 4:7e lid 1b, 4:7e lid 2 en 4:13 lid 1 a,b,c,d bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.

  4. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.