1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan

  3. Het verbod in het 1e lid geldt ook niet voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    1. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. zorginstelling;

    3. museum;

    4. school;

    5. bedrijfskantine of -restaurant;

    tenzij die inrichting specifiek is aangewezen door de burgemeester. In deze gevallen is er wel een vergunning nodzakelijk.

  4. De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot:

    1. de wijze en het moment van aanvraag van de vergunning;

    2. de bij de aanvraag te overleggen documenten;

    3. de persoon/het levensgedrag van de exploitant en de feitelijke leidinggevenden van de openbare inrichting;

    4. de plicht tot het informeren van het bevoegde gezag over in de nadere regels aangegeven zaken, alsmede de manier van informeren en het moment waarop.

  5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als niet voldaan wordt aan de nadere regels als bedoeld in het 4e lid.

  6. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, mits het verlenen van een vergunning voor het afwijkend gebruik niet mogelijk is.

  7. De burgemeester kan de vergunning weigeren als de aanvrager geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) met betrekking tot de aanvrager en/of exploitant en/of leidinggevende(n) overlegt die is afgegeven uiterlijk 3 maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend.

  8. De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

  9. Het niet voldoen aan nadere regels als bedoeld in het 4e lid is een grond voor het intrekken van een al verleende vergunning.

  10. Op de vergunning bedoeld in het 1e lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdige beslissing) niet van toepassing.