Visserijwet 1963 Actueel

Inhoud

§ 2

De Kamer voor de Binnenvisserij

Artikel 45

Er is een Kamer voor de Binnenvisserij. De Kamer heeft haar zetel te 's-Gravenhage.

Artikel 46

  1. De Kamer bestaat uit een voorzitter en ten minste zes en ten hoogste negen leden. Zij wordt bijgestaan door een secretaris.

  2. Er kunnen een plaatsvervangende voorzitter en een of meer plaatsvervangende secretarissen worden benoemd.

  3. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter en van de plaatsvervangende voorzitter treedt het oudste lid als waarnemend voorzitter op.

Artikel 47

  1. Wij benoemen en ontslaan de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de secretaris alsmede de plaatsvervangende secretarissen.

  2. Van de leden wordt een derde benoemd op voordracht van de door Ons aangewezen organisaties van beroepsvissers en een derde op voordracht van de door Ons aangewezen organisaties van sportvissers. De overige leden worden benoemd op voordracht van de door Ons aangewezen organisaties, welke geacht kunnen worden de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de grond onder het viswater te vertegenwoordigen.

    De voordrachten bevatten een dubbeltal voor ieder te benoemen lid.

  3. Wij bepalen het aantal leden, waarvoor elke door Ons aangewezen organisatie voordrachten kan indienen.

  4. De leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij zijn bij hun aftreden weer benoembaar. Op eigen verzoek kunnen zij door Ons worden ontslagen.

  5. De in het eerste lid bedoelde personen worden voor de aanvang hunner bediening beëdigd.

  6. Bij het bereiken van de ouderdom van zeventig jaren wordt aan de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter en de leden ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand.

Artikel 48

  1. Voor benoeming tot secretaris of plaatsvervangende secretaris komt in aanmerking degene:

    1. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of

    2. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.

  2. De graden, het doctoraat of het recht, bedoeld in het eerste lid, moeten zijn verkregen op grond van het afleggen van een examen aan een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs in het Nederlands burgerlijk recht, handelsrecht, staatsrecht en strafrecht.

Artikel 49

  1. Onverminderd hetgeen elders is bepaald, worden de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de secretaris en de plaatsvervangende secretarissen ontslagen:

    1. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende lichaamsziekte of tengevolge van zielsziekte;

    2. wanneer zij onder curatele zijn gesteld.

  2. Onverminderd hetgeen elders is bepaald, kunnen de in het vorige lid genoemde personen worden ontslagen:

    1. bij overtreding van het bepaalde in de artikelen 50 en 51;

    2. wanneer zij in staat van faillissement zijn verklaard ten aanzien van hen de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, zij, surséance van betaling hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld.

  3. Wanneer zich een van de omstandigheden voordoet, als bedoeld in het tweede lid, zijn Onze Minister van Justitie en Onze Minister bevoegd de betrokkene in de uitoefening van zijn ambt terstond te schorsen; de schorsing mag een termijn van drie maanden niet overschrijden. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet niet van toepassing.

  4. Wanneer tijdens de in het derde lid bedoelde schorsing het besluit tot ontslag wordt genomen, blijft de schorsing van kracht tot het tijdstip, waarop het ontslag ingaat.

Artikel 50

  1. De in artikel 49 bedoelde personen zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent hetgeen hun als zodanig bekend wordt.

  2. Zij mogen zich noch direct noch indirect in enig bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen of derzelver raadslieden, noch enige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen aannemen over enige aangelegenheid, welke aanhangig is of waarvan zij weten of vermoeden, dat deze aanhangig zal worden bij de Kamer.

  3. Zij mogen niet deelnemen aan de behandeling van zaken, waarbij zij in enig opzicht betrokken zijn.

Artikel 51

Het is aan de in artikel 49 bedoelde personen verboden zich te belasten met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke bij de Kamer of bij Ons aanhangig zijn, of waarvan zij weten of vermoeden, dat deze bij de Kamer of bij Ons aanhangig zullen worden.

Artikel 52

  1. De Kamer heeft:

    1. een enkelvoudige afdeling, welker werkzaamheden verricht worden door de voorzitter;

    2. meervoudige afdelingen, welke zodanig zijn samengesteld, dat noch het belang der beroepsvissers, noch dat der sportvissers, noch dat der eigenaren overheerst.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden de inrichting van de Kamer, de beëdiging van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de leden, de secretaris en de plaatsvervangende secretarissen, alsmede de samenstelling en de werkwijze van de afdelingen van de Kamer nader geregeld. Bij die maatregel wordt mede bepaald welke zaken door de enkelvoudige afdeling, onderscheidenlijk door de meervoudige afdelingen worden behandeld.

Artikel 53

  1. De voorzitter en de secretaris genieten een bezoldiging, welke bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

  2. De plaatsvervangende voorzitter, de leden en de plaatsvervangende secretarissen genieten een vergoeding voor reis- en verblijfkosten en verdere vergoedingen volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.

Artikel 54

Bij ministeriële regeling wordt voor de werkzaamheden van de Kamer een tarief vastgesteld.

← terug naar Visserijwet 1963