Visserijwet 1963

Inhoud

Artikel 55

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-04-2024.
Deze versie geldt vanaf 01-04-2024.
  1. Ieder die de visserij uitoefent of pleegt uit te oefenen, is verplicht op eerste vordering van een opsporingsambtenaar:

    1. deze ambtenaar in de gelegenheid te stellen zijn vaartuig te betreden;

    2. ter inzage af te geven de op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor de uitoefening van de visserij vereiste bescheiden, waarvan inzage naar redelijk oordeel van deze ambtenaar voor de vervulling van zijn taak nodig is;

    3. uitstaand vistuig te lichten;

    4. gesloten viskaren te openen;

    5. anderszins de medewerking te verlenen, die deze ambtenaar voor de vervulling van zijn taak behoeft.

  2. Opsporingsambtenaren zijn bevoegd tot het verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d.

  3. Overtreding van het eerste lid wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

  4. De feiten strafbaar gesteld bij dit artikel worden als overtreding beschouwd.

01-04-2024 Huidig 01-01-2023 Historisch 01-01-2019 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-07-2014 Historisch 25-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-04-2011 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-03-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 01-03-2005 Historisch 01-01-2003 Historisch 12-07-2002 Historisch 01-02-2002 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2013.

Tekst van deze versie

  1. Ieder die de visserij uitoefent of pleegt uit te oefenen, is verplicht op eerste vordering van een opsporingsambtenaar:

    1. deze ambtenaar in de gelegenheid te stellen zijn vaartuig te betreden;

    2. ter inzage af te geven de op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet voor de uitoefening van de visserij vereiste bescheiden, waarvan inzage naar redelijk oordeel van deze ambtenaar voor de vervulling van zijn taak nodig is;

    3. uitstaand vistuig te lichten;

    4. gesloten viskaren te openen;

    5. anderszins de medewerking te verlenen, die deze ambtenaar voor de vervulling van zijn taak behoeft.

  2. Opsporingsambtenaren zijn bevoegd tot het verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d.

  3. Overtreding van het eerste lid wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

  4. De feiten strafbaar gesteld bij dit artikel worden als overtreding beschouwd.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Visserijwet 1963