Visserijwet 1963 Actueel

Inhoud

§ 4

Schriftelijke toestemmingen voor het vissen in wateren, waarin de binnenvisserij wordt uitgeoefend

Artikel 21

  1. Behoudens indien het betreft het uitzetten van vis, is het verboden in een water als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, te vissen voor zover een ander rechthebbende is op het visrecht van dat water.

  2. Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    1. voor hem, die voorzien is van een schriftelijke toestemming van de rechthebbende, geldende voor de visserij, welke wordt uitgeoefend;

    2. voor hem die de rechthebbende op het visrecht of de houder van de schriftelijke toestemming behulpzaam is bij het vissen met een vistuig, dat niet door één persoon kan worden bediend;

    3. voor het vissen met een hengel door personen onder de veertien jaar die vissen onder begeleiding van een volwassene die voorzien is van de in onderdeel a bedoelde schriftelijke toestemming, of die vissen in het kader van een door de betreffende rechthebbende op het visrecht georganiseerd evenement;

    4. voor het vissen in een binnen een afgesloten erf gelegen viswater, dat geen voor het doorlaten van vis geschikte verbinding met andere wateren bezit dan wel in een viskwekerij, die voldoet aan de door Onze Minister te stellen regelen.

Artikel 22

  1. Schriftelijke toestemmingen, als bedoeld in artikel 21, mogen slechts worden verleend met goedkeuring van de Kamer.

  2. Indien een doelmatig bevissen van het water, waarop de aanvrage tot het verkrijgen van goedkeuring betrekking heeft, dan wel van het complex van wateren, waartoe dat water behoort, door de voorgenomen uitreiking van schriftelijke toestemmingen zou worden belemmerd, wijst de Kamer de aanvrage af, dan wel verbindt zij aan de goedkeuring voorschriften, met dien verstande dat deze voorschriften slechts kunnen betreffen het aantal schriftelijke toestemmingen, dat ten hoogste mag worden uitgereikt, de aard van het vistuig, voor het gebruik waarvan uitsluitend schriftelijke goedkeuring mag worden verleend en de geldigheidsduur der schriftelijke toestemmingen.

  3. De Kamer kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden ter verzekering van de bij de voorgenomen uitreiking betrokken belangen van derden.

  4. De Kamer kan de geldigheid van de goedkeuring tot een door haar te bepalen tijdvak beperken.

  5. De Kamer kan aan de goedkeuring voorschriften verbinden betreffende de voor het genot der schriftelijke toestemmingen ten hoogste te berekenen vergoedingen.

  6. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van:

    1. het verlenen van schriftelijke toestemmingen voor het vissen met een of meer hengels of een of meer peuren;

    2. het verlenen van schriftelijke toestemmingen voor het vissen in het IJsselmeer en andere bij ministeriële regeling aan te wijzen wateren of complexen van wateren;

    3. het verlenen van schriftelijke toestemmingen door een op grond van artikel 35 door Onze Minister aangewezen openbaar lichaam.

Artikel 23

  1. Voor de geldigheid van een schriftelijke toestemming is vereist:

    1. dat deze in duidelijk leesbaar en niet uit te wissen schrift ten minste vermeldt: de naam, de voorletters en de woonplaats van de rechthebbende op het visrecht en van de houder, de geboortedatum van de houder, de omschrijving van het water en de visserij waarvoor zij geldt, de dagtekening, de geldigheidsduur en de voor het genot der schriftelijke toestemming berekende vergoeding;

    2. dat het stuk, waarop de schriftelijke toestemming is gesteld, door of vanwege de Kamer is gewaarmerkt.

  2. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet:

    1. voor schriftelijke toestemmingen, welke ingevolge het bepaalde in artikel 22, zesde lid, zonder goedkeuring van de Kamer mogen worden verleend;

    2. voor schriftelijke toestemmingen uitgereikt door openbare lichamen.

  3. De waarmerking, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts geweigerd:

    1. indien geen goedkeuring tot uitreiking der schriftelijke goedkeuring is verleend dan wel het tijdvak tot hetwelk de geldigheid van de goedkeuring is beperkt, is verstreken;

    2. indien het verlenen van de schriftelijke goedkeuring in strijd is met de aan de goedkeuring verbonden voorschriften;

    3. indien een of meer der in het eerste lid, onder a, bedoelde gegevens, met uitzondering van de gegevens betreffende de houder en de dagtekening der schriftelijke goedkeuring, ontbreken.

  4. De geldigheidsduur van een schriftelijke toestemming eindigt in ieder geval na verloop van drie jaren na de dagtekening der schriftelijke toestemming.

  5. Het eerste lid, onderdeel a, is op een schriftelijke toestemming voor het vissen met een of meer hengels niet van toepassing voor zover degene die de schriftelijke toestemming heeft verleend de gegevens, bedoeld in dat lid, elektronisch beschikbaar heeft gesteld en de houder deze aldus beschikbaar gestelde gegevens op eerste vordering van een opsporingsambtenaar kan tonen.

← terug naar Visserijwet 1963