Visserijwet 1963

Inhoud

Artikel 22

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-03-2005.
  1. Vergunningen, als bedoeld in artikel 21, mogen slechts worden verleend met toestemming van de Kamer.

  2. Indien een doelmatig bevissen van het water, waarop de aanvrage tot het verkrijgen van toestemming betrekking heeft, dan wel van het complex van wateren, waartoe dat water behoort, door de voorgenomen uitreiking van vergunningen zou worden belemmerd, wijst de Kamer de aanvrage af, dan wel verbindt zij aan de toestemming voorschriften, met dien verstande dat deze voorschriften slechts kunnen betreffen het aantal vergunningen, dat ten hoogste mag worden uitgereikt, de aard van het vistuig, voor het gebruik waarvan uitsluitend vergunning mag worden verleend en de geldigheidsduur der vergunningen.

  3. De Kamer kan aan de toestemming voorschriften verbinden ter verzekering van de bij de voorgenomen uitreiking betrokken belangen van derden.

  4. De Kamer kan de geldigheid van de toestemming tot een door haar te bepalen tijdvak beperken.

  5. De Kamer kan aan de toestemming voorschriften verbinden betreffende de voor het genot der vergunningen ten hoogste te berekenen vergoedingen.

  6. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van:

    1. het verlenen van vergunningen voor het vissen met ten hoogste twee hengels;

    2. het verlenen van vergunningen voor het vissen in het IJsselmeer en andere bij ministeriële regeling aan te wijzen wateren of complexen van wateren;

    3. het verlenen van vergunningen door een op grond van artikel 35 door Onze Minister aangewezen openbaar lichaam.

01-04-2024 Huidig 01-01-2023 Historisch 01-01-2019 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-07-2014 Historisch 25-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-04-2011 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-03-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 01-03-2005 Historisch 01-01-2003 Historisch 12-07-2002 Historisch 01-02-2002 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-02-2002.

Tekst van deze versie

  1. Vergunningen, als bedoeld in artikel 21, mogen slechts worden verleend met toestemming van de Kamer.

  2. Indien een doelmatig bevissen van het water, waarop de aanvrage tot het verkrijgen van toestemming betrekking heeft, dan wel van het complex van wateren, waartoe dat water behoort, door de voorgenomen uitreiking van vergunningen zou worden belemmerd, wijst de Kamer de aanvrage af, dan wel verbindt zij aan de toestemming voorschriften, met dien verstande dat deze voorschriften slechts kunnen betreffen het aantal vergunningen, dat ten hoogste mag worden uitgereikt, de aard van het vistuig, voor het gebruik waarvan uitsluitend vergunning mag worden verleend en de geldigheidsduur der vergunningen.

  3. De Kamer kan aan de toestemming voorschriften verbinden ter verzekering van de bij de voorgenomen uitreiking betrokken belangen van derden.

  4. De Kamer kan de geldigheid van de toestemming tot een door haar te bepalen tijdvak beperken.

  5. De Kamer kan aan de toestemming voorschriften verbinden betreffende de voor het genot der vergunningen ten hoogste te berekenen vergoedingen.

  6. Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing ten aanzien van:

    1. het verlenen van vergunningen voor het vissen met ten hoogste twee hengels;

    2. het verlenen van vergunningen voor het vissen in het IJsselmeer en andere bij ministeriële regeling aan te wijzen wateren of complexen van wateren;

    3. het verlenen van vergunningen door een op grond van artikel 35 door Onze Minister aangewezen openbaar lichaam.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Visserijwet 1963