Visserijwet 1963

Inhoud

Artikel 17

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-04-2011.
  1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister vissen van andere dan de krachtens artikel 1, tweede lid, aangewezen soorten uit te zetten in de in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, bedoelde wateren, met uitzondering van de wateren, bedoeld in artikel 10, achtste lid. Bij een beslissing omtrent het verlenen van een vergunning wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming en met het welzijn van vissen.

  2. Onze Minister kan aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden. De vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

  3. Het is verboden in een water, op het visrecht waarvan een ander de rechthebbende is, vis uit te zetten, zonder in het bezit te zijn van een schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Voor de toepassing van dit lid worden onder vis mede begrepen vissen van andere dan de overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aangewezen soorten.

  4. Voor de geldigheid van een schriftelijke toestemming als bedoeld in het derde lid is vereist dat deze in duidelijk leesbaar en niet uit te wissen schrift ten minste vermeldt: de naam, de voorletters en de woonplaats van de rechthebbende op het visrecht en van de houder, de geboortedatum van de houder, de omschrijving van het water en de vissoort waarvoor zij geldt en de dagtekening.

01-04-2024 Huidig 01-01-2023 Historisch 01-01-2019 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-07-2014 Historisch 25-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-04-2011 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-03-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 01-03-2005 Historisch 01-01-2003 Historisch 12-07-2002 Historisch 01-02-2002 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2007.

Tekst van deze versie

  1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister vissen van andere dan de krachtens artikel 1, tweede lid, aangewezen soorten uit te zetten in de in artikel 1, vierde lid, onderdeel d, bedoelde wateren, met uitzondering van de wateren, bedoeld in artikel 10, achtste lid. Bij een beslissing omtrent het verlenen van een vergunning wordt rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming en met het welzijn van vissen.

  2. Onze Minister kan aan een vergunning als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden. De vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

  3. Het is verboden in een water, op het visrecht waarvan een ander de rechthebbende is, vis uit te zetten, zonder in het bezit te zijn van een schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Voor de toepassing van dit lid worden onder vis mede begrepen vissen van andere dan de overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aangewezen soorten.

  4. Voor de geldigheid van een schriftelijke toestemming als bedoeld in het derde lid is vereist dat deze in duidelijk leesbaar en niet uit te wissen schrift ten minste vermeldt: de naam, de voorletters en de woonplaats van de rechthebbende op het visrecht en van de houder, de geboortedatum van de houder, de omschrijving van het water en de vissoort waarvoor zij geldt en de dagtekening.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Visserijwet 1963