Visserijwet 1963

Inhoud

Artikel 10

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-01-2007.
  1. Het is verboden de binnenvisserij uit te oefenen met vistuigen, anders dan een of meer hengels of een of meer peuren, zonder een geldige akte te kunnen tonen.

  2. Op de voet van het bepaalde in de volgende leden wordt een akte verleend, die geldig is voor het vissen met de in het eerste lid bedoelde vistuigen voor zover het gebruik van deze vistuigen niet krachtens deze wet is verboden.

  3. Geen akte wordt verleend aan diegene, die ingevolge artikel 57 de bevoegdheid om krachtens een akte te vissen is ontzegd, zolang de ontzegging duurt.

  4. De akte wordt verleend door Onze Minister en is geldig voor de duur van drie kalenderjaren.

  5. De akte wordt verleend tegen betaling van een geldsom waarvan de hoogte door Onze Minister wordt vastgesteld. Deze geldsom omvat een bijdrage ter verbetering van de binnenvisserij en een bijdrage verband houdende met de kosten van het verlenen van de akte.

  6. Het verbod van het eerste lid geldt niet:

    1. voor degene, die bij ziekte van de houder van een akte deze houder vervangt, mits diegene de akte van de houder bij zich heeft;

    2. voor degene, die in dienst van de houder van een akte de visserij uitoefent in gezelschap van de houder of diens plaatsvervanger.

  7. De in het zesde lid, onder a, bedoelde vrijstelling geldt niet voor diegene, die ingevolge artikel 57 de bevoegdheid om krachtens een akte het vissen is ontzegd, zolang de ontzegging duurt.

  8. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het vissen in een binnen een afgesloten erf gelegen viswater, dat geen voor het doorlaten van vis geschikte verbinding met andere wateren bezit.

  9. Onze Minister kan van het verbod van het eerste lid ontheffing verlenen voor het vissen in een viskwekerij en voor wetenschappelijke doeleinden. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

01-04-2024 Huidig 01-01-2023 Historisch 01-01-2019 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-07-2014 Historisch 25-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-04-2011 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-03-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 01-03-2005 Historisch 01-01-2003 Historisch 12-07-2002 Historisch 01-02-2002 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-02-2002

Tekst van deze versie

  1. Het is verboden de binnenvisserij uit te oefenen met vistuigen, anders dan een of meer hengels of een of meer peuren, zonder een geldige akte te kunnen tonen.
  2. Op de voet van het bepaalde in de volgende leden wordenwordt een akte verleend, die geldig is voor het vissen met de navolgendein aktenhet uitgereikt:eerste lid bedoelde vistuigen voor zover het gebruik van deze vistuigen niet krachtens deze wet is verboden.
  3. sportvisakten,Geen welkeakte geldigwordt zijnverleend totaan hetdiegene, die ingevolge artikel 57 de bevoegdheid om krachtens een akte te vissen hetzijis metontzegd, tenzolang hoogstede tweeontzegging hengels, hetzij met één peur;duurt.
  4. groteDe visakten,akte welkewordt verleend door Onze Minister en is geldig zijnvoor totde hetduur vissenvan metdrie alle vistuigen, voorzover het gebruik daarvan niet krachtens deze wet is verboden.kalenderjaren.
  5. GeenDe akte wordt uitgereiktverleend aantegen hem,betaling wievan ingevolgeeen artikelgeldsom 57waarvan de bevoegdheidhoogte omdoor krachtensOnze Minister wordt vastgesteld. Deze geldsom omvat een aktebijdrage teter vissenverbetering is ontzegd, zolangvan de ontzeggingbinnenvisserij duurt.en een bijdrage verband houdende met de kosten van het verlenen van de akte.
  6. Het verbod van het eerste lid geldt niet:

    1. voorzovervoor het betreft het vissen met niet meer dan één hengel geaasd met door Onze Minister aangewezen aas door personen,degene, die debij leeftijdziekte van vijftiende jarenhouder nogvan nieteen hebbenakte bereikt;deze houder vervangt, mits diegene de akte van de houder bij zich heeft;
    2. voor hem,degene, die bijin ziektedienst van de houder van een grote visakte deze vervangt, mits hijakte de aktevisserij uitoefent in gezelschap van de houder bijof zichdiens heeft;plaatsvervanger.
  7. De in het zesde lid, onder a, bedoelde vrijstelling geldt niet voor hem,diegene, die iningevolge dienstartikel van57 de houderbevoegdheid vanom krachtens een groteakte visaktehet vissen is ontzegd, zolang de visserijontzegging uitoefent in gezelschap van de houder of diens plaatsvervanger.duurt.
  8. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het vissen in een binnen een afgesloten erf gelegen viswater, dat geen voor het doorlaten van vis geschikte verbinding met andere wateren bezit.

  9. Onze Minister kan van het verbod van het eerste lid ontheffing verlenen voor het vissen in een viskwekerij en voor wetenschappelijke doeleinden. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Visserijwet 1963