Visserijwet 1963

Inhoud

Artikel 10

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 01-02-2002.
  1. Het is verboden de binnenvisserij uit te oefenen zonder een geldige akte te kunnen tonen.

  2. Op de voet van het bepaalde in de volgende leden worden de navolgende akten uitgereikt:

    1. sportvisakten, welke geldig zijn tot het vissen hetzij met ten hoogste twee hengels, hetzij met één peur;

    2. grote visakten, welke geldig zijn tot het vissen met alle vistuigen, voorzover het gebruik daarvan niet krachtens deze wet is verboden.

  3. Geen akte wordt uitgereikt aan hem, wie ingevolge artikel 57 de bevoegdheid om krachtens een akte te vissen is ontzegd, zolang de ontzegging duurt.

  4. De akten worden uitgegeven door de Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij en zijn geldig voor de duur van één kalenderjaar.

  5. De akten worden uitgereikt tegen betaling van een geldsom waarvan de hoogte jaarlijks door Onze Minister wordt vastgesteld. Deze geldsom omvat een bijdrage ter verbetering van de binnenvisserij en een bijdrage verband houdende met de kosten van de uitgifte van de akten. De hoogte van de geldsom kan verschillend worden vastgesteld naar gelang de onderscheiden akten.

  6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld verband houdende met de vaststelling en uitreiking van de akten alsmede met de besteding van de ontvangen bijdragen of een deel daarvan.

  7. Het verbod van het eerste lid geldt niet:

    1. voorzover het betreft het vissen met niet meer dan één hengel geaasd met door Onze Minister aangewezen aas door personen, die de leeftijd van vijftien jaren nog niet hebben bereikt;

    2. voor hem, die bij ziekte van de houder van een grote visakte deze vervangt, mits hij de akte van de houder bij zich heeft;

    3. voor hem, die in dienst van de houder van een grote visakte de visserij uitoefent in gezelschap van de houder of diens plaatsvervanger.

  8. De in het vorige lid onder b bedoelde vrijstelling geldt niet voor hem, wie ingevolge artikel 57 de bevoegdheid om krachtens een akte te vissen is ontzegd, voor de duur der ontzegging.

  9. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het vissen in een binnen een afgesloten erf gelegen viswater, dat geen voor het doorlaten van vis geschikte verbinding met andere wateren bezit.

  10. Onze Minister kan van het verbod van het eerste lid ontheffing verlenen voor het vissen in een viskwekerij en voor wetenschappelijke doeleinden. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

  11. In het geval de Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij geen of geen behoorlijke uitvoering geeft aan haar taak, bedoeld in het vierde lid, kan Onze Minister in die uitvoering voorzien.

01-04-2024 Huidig 01-01-2023 Historisch 01-01-2019 Historisch 01-01-2015 Historisch 01-07-2014 Historisch 25-01-2014 Historisch 01-01-2013 Historisch 01-04-2011 Historisch 01-07-2009 Historisch 01-03-2007 Historisch 01-01-2007 Historisch 01-03-2005 Historisch 01-01-2003 Historisch 12-07-2002 Historisch 01-02-2002 Historisch
Voor dit artikel is deze tekst gewijzigd in 01-01-2007.

Tekst van deze versie

  1. Het is verboden de binnenvisserij uit te oefenen zonder een geldige akte te kunnen tonen.

  2. Op de voet van het bepaalde in de volgende leden worden de navolgende akten uitgereikt:

    1. sportvisakten, welke geldig zijn tot het vissen hetzij met ten hoogste twee hengels, hetzij met één peur;

    2. grote visakten, welke geldig zijn tot het vissen met alle vistuigen, voorzover het gebruik daarvan niet krachtens deze wet is verboden.

  3. Geen akte wordt uitgereikt aan hem, wie ingevolge artikel 57 de bevoegdheid om krachtens een akte te vissen is ontzegd, zolang de ontzegging duurt.

  4. De akten worden uitgegeven door de Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij en zijn geldig voor de duur van één kalenderjaar.

  5. De akten worden uitgereikt tegen betaling van een geldsom waarvan de hoogte jaarlijks door Onze Minister wordt vastgesteld. Deze geldsom omvat een bijdrage ter verbetering van de binnenvisserij en een bijdrage verband houdende met de kosten van de uitgifte van de akten. De hoogte van de geldsom kan verschillend worden vastgesteld naar gelang de onderscheiden akten.

  6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld verband houdende met de vaststelling en uitreiking van de akten alsmede met de besteding van de ontvangen bijdragen of een deel daarvan.

  7. Het verbod van het eerste lid geldt niet:

    1. voorzover het betreft het vissen met niet meer dan één hengel geaasd met door Onze Minister aangewezen aas door personen, die de leeftijd van vijftien jaren nog niet hebben bereikt;

    2. voor hem, die bij ziekte van de houder van een grote visakte deze vervangt, mits hij de akte van de houder bij zich heeft;

    3. voor hem, die in dienst van de houder van een grote visakte de visserij uitoefent in gezelschap van de houder of diens plaatsvervanger.

  8. De in het vorige lid onder b bedoelde vrijstelling geldt niet voor hem, wie ingevolge artikel 57 de bevoegdheid om krachtens een akte te vissen is ontzegd, voor de duur der ontzegging.

  9. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor het vissen in een binnen een afgesloten erf gelegen viswater, dat geen voor het doorlaten van vis geschikte verbinding met andere wateren bezit.

  10. Onze Minister kan van het verbod van het eerste lid ontheffing verlenen voor het vissen in een viskwekerij en voor wetenschappelijke doeleinden. De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

  11. In het geval de Organisatie ter verbetering van de binnenvisserij geen of geen behoorlijke uitvoering geeft aan haar taak, bedoeld in het vierde lid, kan Onze Minister in die uitvoering voorzien.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Visserijwet 1963