Schepenwet Actueel

Inhoud
Hoofdstuk I Inleidende bepalingen
Hoofdstuk II Voorkoming van scheepsrampen
Hoofdstuk III De Raad voor de Scheepvaart en de Commissies van Onderzoek in Aruba, Curaçao en Sint Maarten
Hoofdstuk III A De veiligheidscommissies
Hoofdstuk IV Onderzoek van scheepsrampen
Hoofdstuk V Maatregelen van tucht
Hoofdstuk VI Verplichtingen en strafbepalingen
Hoofdstuk VII Slotbepalingen

Hoofdstuk II

Voorkoming van scheepsrampen

Artikel 3

  1. Er wordt geen reis ondernomen, tenzij de voor het schip benodigde certificaten zijn afgegeven, welke nog geldig zijn op het ogenblik van vertrek.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld welke certificaten benodigd zijn. Aan certificaten kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorschriften en beperkingen worden verbonden.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt de geldigheidsduur van de certificaten vastgesteld.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat voor schepen van een bepaalde categorie geen certificaten als bedoeld in het eerste lid benodigd zijn.

  5. Een ambtenaar, belast inzake douane, verleent geen expeditie voor een schip dat bestemd is om buitengaats te worden gebracht, wanneer daarvoor op eerste aanvraag geen geldig certificaat is getoond, waaruit de deugdelijkheid van het schip blijkt.

Artikel 3a

  1. Een certificaat wordt alleen afgegeven indien het schip en de bedrijfsvoering over het schip, zowel aan boord als aan de wal, voldoen aan de eisen, daartoe bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld.

  2. De vaststelling van de eisen, bedoeld in het eerste lid, kan voor bepaalde bij of krachtens de maatregel aangewezen onderwerpen geschieden door het van toepassing verklaren van de regels, ter zake gegeven door bij of krachtens de maatregel aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen. Indien een aanwijzing plaatsvindt krachtens de maatregel wordt het besluit tot aanwijzing bekendgemaakt in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld aan welke onderzoeken schepen, ter verkrijging van een certificaat of tijdens de geldigheidsduur daarvan, zijn onderworpen om vast te stellen of zij voldoen aan de eisen, bedoeld in het eerste lid.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden regels gegeven met betrekking tot de aanvraag voor het verkrijgen van een certificaat en de daarbij over te leggen bescheiden.

Artikel 4

  1. De kapitein is verplicht, alvorens met zijn schip een reis te ondernemen, ervoor te zorgen dat:

    1. het schip volkomen zeewaardig is en alle daarvoor in aanmerking komende openingen binnenboord en buitenboord afdoende zijn gesloten;

    2. aan boord de benodigde reddings- en veiligheidsmiddelen en medische uitrusting met een bijbehorende handleidingen en aanwijzingen, aanwezig zijn;

    3. aan boord de benodigde zeevaartkundige kaarten, zeevaartkundige publicaties en instrumenten beschikbaar zijn voor de kapitein en deze behoorlijk zijn bijgehouden of op tijd zijn nagezien en bijgesteld;

    4. alle hulpmiddelen die nodig zijn om te kunnen voldoen aan de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, aan boord zijn en in deugdelijke staat verkeren, en in het algemeen de scheepsuitrusting aan de eisen van zeewaardigheid en veiligheid voldoet;

    5. de lensinrichting in orde en van voldoende capaciteit is;

    6. de aanwezige elektrische inrichtingen voldoen aan de vastgestelde voorschriften;

    7. de radio-installaties bedrijfsklaar zijn;

    8. de belading, de stuwage en de ballasten van het schip aan de eisen van zeewaardigheid en veiligheid voldoen;

    9. het schip zodanig is geladen, dat het geen geringer vrijboord heeft dan volgens de afgegeven certificaten is toegestaan;

    10. het schip zodanig is bemand dat redelijkerwijs alle werkzaamheden aan boord, met inachtneming van geldende wet- en regelgeving, kunnen worden uitgevoerd, mede gelet op de veiligheid van het schip;

    11. de voorgeschreven stabiliteitsgegevens aan boord zijn;

    12. de met betrekking tot oorlog of oorlogsgevaar gegeven voorschriften in acht zijn genomen;

    13. de met betrekking tot het vervoer van lading gegeven voorschriften in acht zijn genomen;

    14. niet meer passagiers zijn ingescheept dan bij of krachtens deze wet is toegestaan, de alarmrol bekend is gemaakt, de voorgeschreven alarmrollen zijn gehouden en op duidelijke wijze de nodige aanwijzingen zijn aangebracht betreffende de plaatsen waar de reddingmiddelen zijn opgeborgen of geplaatst, hoe deze plaatsen zijn te bereiken en hoe de reddingmiddelen moeten worden gebruikt.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld aan welke eisen ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid moet worden voldaan.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot normen voor bemanning en andere personen die, in welke hoedanigheid ook, aan boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld zijn inzake opleiding, diplomering, wachtdienst en medische geschiktheid.

Artikel 4a

Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent routering van schepen.

Artikel 5

  1. Onze Minister kan voor schepen van een bepaalde categorie vrijstelling verlenen van één of meer van de bij of krachtens artikel 3a, eerste lid, of artikel 4 gestelde eisen, zonodig onder het geven van voorschriften en beperkingen, mits zulks zonder gevaar voor deze categorie schepen of hun opvarenden mogelijk is. Een vrijstellingsregeling wordt bekend gemaakt in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.

  2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is bevoegd om in bijzondere gevallen voor een individueel schip, zonodig onder het geven van voorschriften en beperkingen, een ontheffing te verlenen van de bij of krachtens artikel 3a, eerste lid, of artikel 4 gestelde eisen. Een ontheffing kan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 6

  1. Certificaten worden afgegeven door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. In bijzondere gevallen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aan buitenlandse autoriteiten verzoeken certificaten af te geven.

  2. De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn belast met het verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 3a, derde lid. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat deze onderzoeken geheel of ten dele worden verricht door daartoe door Onze Minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen.

  3. Aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot aan een aanwijzing te verbinden voorschriften, alsmede met betrekking tot de schorsing en de intrekking van een aanwijzing.

  4. Onze Minister kan slechts door hem erkende natuurlijke personen of rechtspersonen aanwijzen. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van erkenning van deze natuurlijke personen of rechtspersonen, de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om voor erkenning in aanmerking te komen, en de intrekking van de erkenning indien niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan.

  5. Besluiten tot aanwijzing of erkenning van natuurlijke personen of rechtspersonen, besluiten tot schorsing van een aanwijzing, alsmede besluiten tot intrekking van een aanwijzing of erkenning, worden bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Landscourant van Aruba, in de Curaçaose Courant en in de Landscourant van Sint Maarten.

Artikel 7

  1. Certificaten vervallen, wanneer:

    1. het tijdvak, waarvoor zij gelden, is verstreken;

    2. de tijdens de geldigheidsduur daarvan verplicht gestelde onderzoeken niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden, behoudens in bij algemene maatregel van rijksbestuur omschreven bijzondere gevallen;

    3. het schip ophoudt te behooren tot de categorie van schepen, waarop deze rijkswet van toepassing is;

    4. het schip wordt verbouwd of de aan boord zijnde inrichtingen op ingrijpende wijze worden gewijzigd;

    5. het schip van naam verandert of een ander letterteeken of nummer krijgt. In dat geval worden op aanvrage nieuwe certificaten afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het tijdvak, waarvoor de vervallen certificaten zouden hebben gegolden.

  2. Bij algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat certificaten onder daarbij aangewezen omstandigheden bovendien vervallen, wanneer de eigenaar het schip aan zijn oorspronkelijke bestemming onttrekt.

  3. Een certificaat kan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden ingetrokken, wanneer het schip schade heeft geleden, een gebrek niet naar behoren is hersteld of indien andere redenen daartoe aanleiding geven. In Aruba, Curaçao of Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt de intrekking van een certificaat schriftelijk en gemotiveerd bekendgemaakt aan de eigenaar.

Artikel 8

  1. Een ingetrokken certificaat wordt door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gezonden door tussenkomst van de ambtenaren der Scheepvaartinspectie, de ambtenaren met de in- of uitklaring belast of de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaren.

  2. Voor een ingezonden certificaat wordt desverlangd een bewijs van ontvangst afgegeven of toegezonden.

Artikel 9

  1. De kapitein is verplicht om:

    1. het roercommando en de voortstuwingscommando’s in rechtstreekschen zin te bezigen en te doen bezigen;

    2. gedurende de reis alles wat tot de uitrusting van het schip behoort in deugdelijken staat en voor onmiddellijk gebruik gereed te houden, voor zoover zulks is voorgeschreven de openingen binnen en buiten boord gesloten te houden, de voorgeschreven alarmrollen en oefeningen te houden en ook overigens aan alle krachtens het vierde lid van dit artikel en de artikelen 3a, eerste lid, en 4 gestelde eisen en voorschriften te voldoen;

    3. indien gedurende de reis aan het schip, de machinerieën of de uitrusting gebreken blijken, zooveel mogelijk deze gebreken te doen herstellen;

    4. den diepgang van het schip telkens na het innemen van lading en van brandstoffen op te nemen en zorg te dragen, dat het schip geen geringer vrijboord krijgt dan blijkens de afgegeven certificaten is toegestaan;

    5. maatregelen te nemen ter voorkoming van misbruik van het internationale noodsein en van het gebruik van seinen, welke met een internationaal noodsein kunnen worden verward;

    6. hulp te verlenen aan een ieder die op zee in levensgevaar is of in nood verkeert, voor zover een dergelijke handelswijze redelijkerwijs van hem kan worden verwacht, en bij het vragen van hulp zich te gedragen naar de daaromtrent geldende voorschriften;

    7. zorg te dragen dat de voorschriften voor de radiowacht, alsmede die betreffende het waarschuwen omtrent de gevaren ter zee, worden nageleefd;

    8. naar gelang der zaak in het scheepsdagboek of in het machinedagboek te doen opteekenen, wat ter voldoening aan de onder b tot en met g opgelegde verplichtingen is geschied;

    9. zorg te dragen dat de benodigde certificaten te allen tijde beschikbaar zijn en dat de bemanning deze of afschriften daarvan steeds kunnen inzien;

    10. zorg te dragen, dat de met betrekking tot oorlog of oorlogsgevaar gegeven voorschriften worden nageleefd;

    11. zorg te dragen, dat de met betrekking tot het vervoer van lading gegeven voorschriften worden nageleefd.

  2. De kapitein is verplicht voor het behoorlijk bijhouden van de dagboeken zorg te dragen. Hij zal op eerste vordering inzage geven aan en afschrift laten nemen door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, terwijl hij voorts verplicht is steeds op eerste aanvrage inzage van de dagboeken te geven aan de in artikel 63 bedoelde ambtenaren. Hij is bovendien verplicht zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk bij binnenkomst in de eerstvolgende haven aan Scheepvaartinspectie kennis te geven van de op de afgelopen reis voorgekomen averijen en ongevallen; het overleggen der dagboeken, onder verwijzing naar de aantekening omtrent de averij of het ongeval, wordt als zodanige kennisgeving beschouwd.

  3. In het geval, bedoeld in het eerste lid onder c, is de kapitein voorts verplicht om bij het aandoen van de eerste haven in het ontbrekende te voorzien, voor zoover dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip en van de opvarenden te verzekeren.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de in de voorgaande leden van dit artikel genoemde verplichtingen.

Artikel 9a

  1. De eigenaar zorgt ervoor dat voldoende middelen en voldoende ondersteuning vanaf de wal beschikbaar zijn om de kapitein op diens schip in staat te stellen te voldoen aan hetgeen is gesteld bij of krachtens deze wet.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen, onder meer ter uitvoering van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties, nadere regels worden gesteld met betrekking tot verplichtingen, verantwoordelijkheden of voorschriften aangaande de bedrijfsvoering op schepen.

Artikel 10

  1. Alle schepen blijven aan een voortdurend toezicht van Regeeringswege onderworpen.

  2. Onder de bevelen van Onzen Minister wordt dit toezicht opgedragen aan door Onze Minister aangewezen ambtenaren, alsmede voorzover betreft het toezicht in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, aan door of vanwege de Gouverneur te benoemen ambtenaren, van welke een bij koninklijk besluit als hoofd van de scheepvaartinspectie wordt aangewezen. Ook kunnen bij koninklijk besluit voor bepaalde werkzaamheden ambtenaren van andere diensttakken ter beschikking van den dienst der scheepvaartinspectie worden gesteld.

  3. De werkkring en de bevoegdheden van de in het vorige lid bedoelde ambtenaren worden bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld; voor wat betreft de ambtenaren, belast met het toezicht in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, worden dienaangaande zonodig bij Landsverordening aanvullende regelingen getroffen.

  4. De bij of krachtens deze rijkswet aan de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie, uitgezonderd het krachtens het tweede lid aangewezen hoofd, opgedragen taken onderscheidenlijk toegekende bevoegdheden worden in Nederland en ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde schepen die op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren, of schepen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, verricht onderscheidenlijk uitgeoefend door de daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren.

  5. De bij of krachtens deze rijkswet aan de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie opgedragen taken onderscheidenlijk toegekende bevoegdheden kunnen ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde schepen die op grond van voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten geldende rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren, ook worden verricht onderscheidenlijk uitgeoefend door de ambtenaren die in Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn belast met de uitvoering van en het toezicht op de naleving van deze rijkswet.

Artikel 11

  1. Het hoofd van de scheepvaartinspectie zendt jaarlijks aan Onzen Minister een beredeneerd verslag over de werking en toepassing van de wettelijke voorschriften en den gang van den dienst gedurende het afgeloopen jaar.

  2. Dit verslag wordt overgelegd aan de Staten-Generaal, alsmede aan de Gouverneur en de Staten van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten.

Artikel 12

De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben ter uitoefening van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze rijkswet gestelde voorschriften toegang tot de in deze rijkswet genoemde schepen met inbegrip van de woongedeelten van deze schepen, tot de ligplaatsen daarvan, alsmede tot de plaatsen, waar deze schepen of hun werktuiglijke inrichtingen worden gebouwd of hersteld, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

Artikel 12a

  1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een onderzoek instellen naar voorvallen van betekenis, overkomen aan schepen, teneinde na te gaan of hieruit lessen kunnen worden getrokken of dat het wenselijk is regels te stellen ter voorkoming van voorvallen.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop een onderzoek naar een in het eerste lid bedoeld voorval wordt ingesteld.

Artikel 13

De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn bevoegd inlichtingen te vorderen, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

Artikel 14

  1. Een ieder is verplicht aan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

  2. De eigenaar en de kapitein, alsmede een of meer door elk hunner aan te wijzen personen, zijn bevoegd bij het onderzoek van het schip tegenwoordig te zijn.

Artikel 15

  1. Indien naar het oordeel van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie niet is of zal worden voldaan aan de bij of krachtens artikelen 3a, eerste lid, 4, of 9 bepaalde eisen en voorschriften, worden de eigenaar en de kapitein daarvan onverwijld op de hoogte gesteld, met vermelding van de geconstateerde tekortkomingen.

  2. De eigenaar of kapitein kan aan de ambtenaar verzoeken om aan te geven op welke wijze naar zijn mening in het ontbrekende kan worden voorzien.

  3. Indien de geconstateerde tekortkomingen niet in voldoende mate zijn hersteld, stelt de ambtenaar met vermelding van redenen de eigenaar en de kapitein daarvan op de hoogte.

Artikel 16

  1. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een schip aan te houden voor onderzoek, indien:

    1. de ambtenaar constateert of een gerechtvaardigd vermoeden heeft dat het schip niet voldoet aan de eisen, gesteld krachtens artikel 3a, voor de verkrijging van die certificaten;

    2. deambtenaar constateert dat of gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de kapitein in strijd met bij of krachtens de artikelen 4 of 9 bepaalde eisen en voorschriften handelt dan wel zal handelen.

  2. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie is bevoegd een schip aan te houden, indien:

    1. het schip niet is voorzien van alle krachtens artikel 3 benodigde geldige certificaten of documenten;

    2. uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat niet is voldaan aan de eisen gesteld krachtens artikel 3a;

    3. wordt gehandeld in strijd met hetgeen bepaald bij of krachtens artikelen 4 en 9;

    4. de eigenaar, de kapitein of de overige leden van bemanning niet de door de ambtenaar gevorderde medewerking verlenen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

  3. Indien een bemanningslid ten aanzien van diens schip redenen meent te hebben voor twijfel over de zeewaardigheid dan wel of aan alle bij of krachtens de artikelen 3a, eerste lid, 4 of 9, bepaalde eisen en voorschriften, is of zal worden voldaan, is hij gerechtigd zich te wenden tot het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

  4. Indien Onze Minister in geval van oorlogsgevaar van oordeel is dat de vaart te grote gevaren oplevert, kan hij een schip door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie laten aanhouden.

  5. In Nederland beslist het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zo spoedig mogelijk of in geval van het eerste lid al dan niet een onderzoek wordt ingesteld. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten beslist een aldaar daartoe aangewezen ambtenaar van de Scheepvaartinspectie of al dan niet een onderzoek wordt ingesteld.

  6. In Nederland is afdeling 5.3.1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de in het eerste tot en met vierde lid bedoelde bevoegdheid.

Artikel 17

  1. In Nederland geldt de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van het besluit tot aanhouding, met uitzondering van artikel 3:41, eerste lid. In Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt het besluit tot aanhouding schriftelijk genomen en gemotiveerd.

  2. Het besluit tot aanhouding wordt bekendgemaakt door uitreiking aan de kapitein. Indien uitreiking aan de kapitein niet mogelijk is, geschiedt de bekendmaking van een besluit tot aanhouding door uitreiking van dit besluit aan de naar het oordeel van de ambtenaar van de Scheepvaartinspectie daarvoor meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door kennisgeving van het besluit aan de kapitein.

  3. De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie die de aanhouding heeft verricht, deelt elke beslissing tot aanhouding of tot opheffing daarvan onverwijld mede aan de betrokken ambtenaar, belast inzake douane. Na ontvangst van een bericht tot aanhouding verleent de betrokken ambtenaar, belast inzake douane, geen expeditie totdat de aanhouding is opgeheven.

  4. De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie stelt de havenbeheerder en de naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende diensten onverwijld in kennis van de aanhouding en van de omstandigheden die tot de aanhouding hebben geleid.

  5. De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie stelt de administratie van de desbetreffende vlaggenstaat of de consul, of bij zijn afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger, onverwijld schriftelijk in kennis van de aanhouding en de omstandigheden die tot de aanhouding hebben geleid.

Artikel 17a

  1. De kapitein van een aangehouden schip is verplicht zijn schip na de aanhouding ligplaats te doen nemen op de door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in overeenstemming met de havenbeheerder aan te wijzen plaats.

  2. Zolang de aanhouding voortduurt, is het de kapitein verboden het schip te doen verplaatsen zonder voorafgaande toestemming van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie.

  3. In verband met de veiligheid van een aangehouden schip of de haven kan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie op verzoek van de havenbeheerder toestemming verlenen om een aangehouden schip tijdelijk naar een locatie buiten de haven te verplaatsen, onder voorwaarde dat de kapitein van het aangehouden schip radiocontact behoudt met de havenbeheerder.

  4. Zonder deze toestemming weigeren alle betrokken ambtenaren hun medewerking bij het verplaatsen en het in- of uitklaren van het schip.

  5. Indien een schip in een buitenlandse haven door een bevoegde autoriteit is aangehouden ingevolge de bepalingen van het SOLAS-verdrag of een ander bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen verdrag of besluit van volkenrechtelijke organisatie ter uitvoering waarvan krachtens deze wet regels worden gesteld, is het de kapitein verboden met dat schip de haven te verlaten.

Artikel 17b

De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn bevoegd ter uitvoering en handhaving van de aanhouding de nodige maatregelen te nemen en de nodige aanwijzingen te geven.

Artikel 17c

  1. Een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie heft de aanhouding, niet zijnde een aanhouding als bedoeld in artikel 17a, vijfde lid, op indien:

    1. er geen onderzoek als bedoeld in artikel 16, vijfde lid, wordt ingesteld; of

    2. de redenen, genoemd in artikel 16, tweede lid, niet of niet langer van toepassing zijn; en indien

    3. de eigenaar de vergoeding voor de mogelijk op grond van artikel 72 verschuldigde kosten heeft voldaan of ten genoegen van Onze Minister voldoende zekerheid heeft gesteld voor de vergoeding voor deze kosten.

  2. Op de opheffing van een aanhouding is artikel 17 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

  1. Tegen een besluit van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij Onze Minister.

  2. Onze Minister kan bepalen dat het beroep de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht.

Artikel 19

  1. In afwijking van artikel 18 kan degene die door een besluit van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten, rechtstreeks in zijn belang is getroffen, met uitzondering van een besluit tot het aanhouden van een schip op grond van artikel 16, vierde lid, daartegen beroep instellen bij de voorzitter van de Commissie van Onderzoek in Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten,.

  2. Het beroep wordt binnen zes weken na het besluit schriftelijk ingediend en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht, en de gronden van het beroep.

  3. Alvorens een beslissing op het beroep te nemen raadpleegt de voorzitter van de Commissie van Onderzoek de ter zake meest geschikte leden van de Commissie, die noch rechtstreeks, noch zijdelings belang bij de beslissing hebben.

  4. De voorzitter kan bepalen dat het beroep de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht.

  5. De voorzitter maakt zijn beslissing op het beroep schriftelijk bekend door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. De beslissing berust op een deugdelijke motivering. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van de beslissing.

Artikel 20

  1. In afwijking van artikel 18 kan degene die door een besluit van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie in Aruba rechtstreeks in zijn belang is getroffen, met uitzondering van een besluit tot het aanhouden van een schip op grond van artikel 16, vierde lid, het hoofd van de Scheepvaartinspectie in Aruba verzoeken dit besluit in heroverweging te nemen.

  2. Het verzoek wordt binnen zes weken na het besluit schriftelijk aanhangig gemaakt door indiening van een bezwaarschrift bij het hoofd van de Scheepvaartinspectie in Aruba en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar zich richt, en de gronden waarop het bezwaar rust.

  3. Het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de bezwaarschriftprocedure in hoofdstuk II van de Landsverordening administratieve rechtspraak.

  4. De indiener van het bezwaarschrift kan aan het Gerecht in Eerste Aanleg verzoeken het besluit waartegen het bezwaar zich richt, te schorsen op grond dat de uitvoering daarvan voor de indiener een onevenredig nadeel met zich mee zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering te dienen belang.

  5. Degene die door de beslissing van het hoofd van de Scheepvaartinspectie op het bezwaarschrift rechtstreeks in zijn belang is getroffen, kan daartegen beroep instellen bij het Gerecht in Eerste Aanleg. Dit beroep wordt behandeld volgens de beroepschriftprocedure in hoofdstuk III van de Landsverordening administratieve rechtspraak.

Artikel 21

  1. Hij, die een beroep van eene beslissing of een voorschrift instelt, zet in zijn beroepschrift zijne bezwaren tegen die beslissing of dat voorschrift uiteen en zendt gelijktijdig een afschrift van het beroepschrift aan den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift hij beroep instelt en aan het hoofd van de scheepvaartinspectie, indien deze niet is de ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep wordt ingesteld.

  2. Alvorens uitspraak te doen is de voorzitter van den Raad voor de scheepvaart of van een Commissie als bedoeld in artikel 26bis steeds bevoegd en op aanvrage van den appellant, van den ambtenaar van wiens beslissing of voorschrift beroep is ingesteld of van het hoofd van de scheepvaartinspectie, verplicht aan ieder hunner gelegenheid te geven hunne bezwaren mondeling in persoon of bij gemachtigde toe te lichten.

Artikel 22

De verdere regelen, bij de behandeling van beroepen in acht te nemen, worden bij algemene maatregel van rijksbestuur vastgesteld.

← terug naar Schepenwet