Het motorrijtuig waarmee de rijproef voor het rijbewijs C1, C, D1, D of E wordt afgelegd, dient te zijn voorzien van:

  1. inrichtingen die zo zijn aangebracht dat de examinator daarmee de bedrijfsrem en, indien het een motorrijtuig met handschakeling betreft, de koppeling vanaf zijn zitplaats doeltreffend kan bedienen;

  2. twee of meer buitenspiegels, dan wel een camera-monitorsysteem of camera-monitorsystemen, waarmee de examinator het rechts en links naast en achter hem gelegen weggedeelte kan overzien;

  3. een bij ministeriële regeling vastgestelde aanduiding, aangebracht op de wijze als bij die regeling is voorgeschreven.