In afwijking van artikel 2.76f, eerste lid, bedraagt de in dat lid bedoelde luchtverversingscapaciteit in stallen die voor 1 juni 2003 zijn gebouwd en sindsdien niet zijn verbouwd ten minste 3 m3 per kg levend gewicht per uur.
Besluit houders van dieren Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
§ 1 Algemene bepalingen
§ 2 Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
§ 3 Doden van dieren
§ 4 Voortplantingstechnieken
§ 5 Overige bepalingen
§ 6 Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
§ 7 Melding en bewaking dierziekten en zoönosen
§ 8 Bijeenbrengen van dieren
§ 9 Houden van schapen of geiten
§ 10 Registratie en erkenning van inrichtingen
§ 11 Identificatie en registratie van dieren
§ 12 Handel
§ 13 Sera en entstoffen
Hoofdstuk 2 Houden van dieren voor landbouwdoeleinden
§ 1 Algemeen
§ 2 Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
§ 3 Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
§ 3a Reinigen en ontsmetten
§ 4 Houden van varkens voor productie
§ 5 Houden van runderen voor productie
§ 6 Houden van pluimvee voor productie
§ 7 Houden van schapen of geiten voor productie
§ 8 Houden van konijnen voor productie
§ 9 Houden van nertsen voor productie
§ 10 Houden van overige dieren voor productie
Hoofdstuk 3 Houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden
Hoofdstuk 4 Houden van dieren voor vertoning
Hoofdstuk 5 Doden van dieren voor de productie van dierlijke producten
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Bijlage I als bedoeld in artikel 1.20 van het Besluit houders van dieren
Bijlage II als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit houders van dieren
Bijlage IIa Diersoorten als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a.
Bijlage III als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van het besluit
Bijlage IV als bedoeld in artikel 4.14 van het besluit
Hoofdstuk 6
Artikel 6.2
Artikel 6.3
Artikel 6.4
-
Aan inrichtingen waarvan de exploitant een melding heeft gedaan op grond van artikel 5.5 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding van dit artikel, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de artikelen 5.5 en 5.5b van dit besluit.
-
Aan inrichtingen waarop artikel 6.4, eerste lid, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan inwerkingtreding dit artikel, van toepassing is, wordt geacht een registratie te zijn verleend op grond van de artikelen 5.5 en 5.5b van dit besluit.
-
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien in de desbetreffende inrichting na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn geslacht.
Artikel 6.5
Artikel 6.6
Het erkende bewijs van vakbekwaamheid op basis van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, voor zover activiteiten worden verricht met honden en katten.
Artikel 6.7
Een aanmelding bij Onze Minister die is verricht op grond van artikel 3, eerste lid van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als een aanmelding als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, voor activiteiten met honden of katten, voor zover die activiteiten bij die eerdere aanmelding zijn gemeld.
Artikel 6.8
Artikel 6.9
-
Het Honden- en Kattenbesluit 1999 wordt ingetrokken.
-
In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen van het Honden- en kattenbesluit 1999 van toepassing, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, op inrichtingen van waaruit honden en katten worden betrokken door inrichtingen die dierproeven verrichten, met inachtneming van artikel 27 van het Honden- en kattenbesluit 1999, tot het tijdstip waarop de wijziging van de Wet op de dierproeven ter implementatie van Richtlijn 2010/63 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEU L 276) in werking is getreden.
Artikel 6.10
Artikel 2.21, eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op betonroostervloeren indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:
de betreffende betonroostervloer voor 1 juli 2018 in gebruik is genomen;
de betreffende betonroostervloer ten tijde van de inwerkingtreding van dat onderdeel voldeed aan artikel 2.21, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit houders van dieren zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dat onderdeel en nadien is blijven voldoen aan die bepaling; en
de vloer van de stal niet is verbouwd of vervangen na de inwerkingtreding van dat onderdeel.
Artikel 6.11
Met een melkrobot als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel i, onder 4°, en een gps-halsband als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel i, onder 5°, worden gelijkgesteld melkrobots en gps-halsbanden die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.