Besluit houders van dieren Actueel

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
§ 1 Algemene bepalingen
§ 2 Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
§ 3 Doden van dieren
§ 4 Voortplantingstechnieken
§ 5 Overige bepalingen
§ 6 Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
§ 7 Melding en bewaking dierziekten en zoönosen
§ 8 Bijeenbrengen van dieren
§ 8.1 Regels over verplaatsing naar andere lidstaten
§ 8.1a Regels over verplaatsingen binnen Nederland en naar andere lidstaten
§ 8.2 Bijeenbrengen voor vervoer binnen Nederland
§ 9 Houden van schapen of geiten
§ 10 Registratie en erkenning van inrichtingen
§ 11 Identificatie en registratie van dieren
§ 12 Handel
§ 13 Sera en entstoffen
Hoofdstuk 2 Houden van dieren voor landbouwdoeleinden
§ 1 Algemeen
§ 2 Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
§ 3 Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
§ 3a Reinigen en ontsmetten
§ 4 Houden van varkens voor productie
§ 5 Houden van runderen voor productie
§ 6 Houden van pluimvee voor productie
§ 7 Houden van schapen of geiten voor productie
§ 8 Houden van konijnen voor productie
§ 9 Houden van nertsen voor productie
§ 10 Houden van overige dieren voor productie
Hoofdstuk 3 Houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden
Hoofdstuk 4 Houden van dieren voor vertoning
Hoofdstuk 5 Doden van dieren voor de productie van dierlijke producten
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Bijlage I als bedoeld in artikel 1.20 van het Besluit houders van dieren
Bijlage II als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit houders van dieren
Bijlage IIa Diersoorten als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a.
Bijlage III als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van het besluit
Bijlage IV als bedoeld in artikel 4.14 van het besluit

§ 6.2

Gezondheidsvoorschriften

Artikel 2.76ia

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. verordening (EG) nr. 2160/2003: Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325).

Artikel 2.76ib

  1. Een houder van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 laat die dieren onderzoeken op de aanwezigheid van aviaire influenza.

  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    1. de momenten en de wijze waarop het onderzoek plaatsvindt;

    2. de dieren waarbij het onderzoek plaatsvindt;

    3. de administratie van de bemonstering.

  3. Een houder verplaatst de dieren, bedoeld in het eerste lid, slechts naar een andere in Nederland gelegen inrichting indien die dieren zijn onderzocht overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels en de uitslag van het onderzoek bekend is.

  4. Het derde lid is niet van toepassing op dieren die binnen acht dagen na het uitkomen worden verplaatst, indien kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van ouderdieren die zijn onderzocht overeenkomstig de krachtens het tweede lid gestelde regels en de uitslag van het onderzoek bekend is.

Artikel 2.76ic

  1. In aanvulling op artikel 97, eerste lid, aanhef, onderdeel a, aanhef en onder ii, van verordening (EU) nr. 2016/429 en de krachtens artikel 97, tweede lid, onderdeel b, van die verordening vastgestelde gedelegeerde verordening met voorschriften over de ziektebewaking ten aanzien van salmonella-serotypen die relevant zijn voor de diergezondheid en mycoplasma spp. stelt Onze Minister nadere regels over:

    1. de degene die monsters neemt;

    2. het aanleveren van gegevens;

    3. de administratie van uitslag van het onderzoek.

  2. De in het eerste lid bedoelde voorschriften van de gedelegeerde verordening en de krachtens het eerste lid gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op houders van per ziekte bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten of categorieën van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) 2016/429 die geen dieren verplaatsen naar een andere lidstaat, met dien verstande dat bij ministeriële regeling van de genoemde verordening afwijkende regels worden gesteld over de frequentie van de monstername en het onderzoek naar mycoplasma spp,

Artikel 2.76id

  1. Een exploitant als bedoeld in artikel 4, onderdeel 24, van verordening (EU) nr. 2016/429 van een inrichting waar bij ministeriële regeling aan te wijzen soorten of categorieën van pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van die verordening of van in gevangenschap levende vogels als bedoeld in artikel 4, onderdeel 10, van die verordening worden gehouden, zorgt ervoor dat die dieren gevaccineerd zijn tegen Newcastle disease.

  2. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld over:

    1. de momenten waarop de vaccinatie plaatsvindt;

    2. administratie van de vaccinatie;

    3. onderzoek naar de aanwezigheid van antilichamen en naar aanleiding daarvan te treffen maatregelen.

  3. Een houder verplaatst de dieren, bedoeld in het eerste lid, slechts indien ten aanzien van die dieren is voldaan aan de verplichting tot vaccinatie tegen Newcastle disease.

  4. Het derde lid is niet van toepassing op dieren die binnen acht dagen na het uitkomen worden verplaatst, indien kan worden aangetoond dat de dieren afkomstig zijn van ouderdieren die zijn gevaccineerd overeenkomstig de krachtens het eerste en tweede lid gestelde regels.

Artikel 2.76ie

  1. Ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2160/2003 worden bij ministeriële regeling regels gesteld over monitoring op zoönotische Salmonella bij dieren van bij die regeling aan te wijzen diercategorieën die vallen onder pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429.

  2. In aanvulling op de krachtens verordening (EG) nr. 2160/2003 vastgestelde EU-verordeningen kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de monitoring op zoönotische Salmonella bij dieren van bij die regeling aan te wijzen andere dan de in het eerste lid genoemde diercategorieën die vallen onder pluimvee als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429.

  3. De regels, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen betrekking hebben op:

    1. de momenten en de wijze waarop monsters worden genomen;

    2. degene die de monsters neemt;

    3. het onderzoek van monsters;

    4. administratie en rapportage van de onderzoeksresultaten.

Artikel 2.76if

  1. Het is verboden om dieren van bij ministeriële regeling aan te wijzen diercategorieën die vallen onder «pluimvee» als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van verordening (EU) nr. 2016/429 aan te voeren op een bedrijf waar de aanwezigheid van Salmonella enteritidis is vastgesteld.

  2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien die dieren zijn gevaccineerd tegen Salmonella enteritidis.

← terug naar Besluit houders van dieren