Indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, wordt ervoor zorg gedragen dat het dier:
went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden en
in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag.