Besluit houders van dieren Actueel

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
§ 1 Algemene bepalingen
§ 2 Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
§ 3 Doden van dieren
§ 4 Voortplantingstechnieken
§ 5 Overige bepalingen
§ 6 Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
§ 7 Melding en bewaking dierziekten en zoönosen
§ 8 Bijeenbrengen van dieren
§ 8.1 Regels over verplaatsing naar andere lidstaten
§ 8.1a Regels over verplaatsingen binnen Nederland en naar andere lidstaten
§ 8.2 Bijeenbrengen voor vervoer binnen Nederland
§ 9 Houden van schapen of geiten
§ 10 Registratie en erkenning van inrichtingen
§ 11 Identificatie en registratie van dieren
§ 12 Handel
§ 13 Sera en entstoffen
Hoofdstuk 2 Houden van dieren voor landbouwdoeleinden
§ 1 Algemeen
§ 2 Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
§ 3 Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
§ 3a Reinigen en ontsmetten
§ 4 Houden van varkens voor productie
§ 5 Houden van runderen voor productie
§ 6 Houden van pluimvee voor productie
§ 7 Houden van schapen of geiten voor productie
§ 8 Houden van konijnen voor productie
§ 9 Houden van nertsen voor productie
§ 10 Houden van overige dieren voor productie
Hoofdstuk 3 Houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden
Hoofdstuk 4 Houden van dieren voor vertoning
Hoofdstuk 5 Doden van dieren voor de productie van dierlijke producten
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Bijlage I als bedoeld in artikel 1.20 van het Besluit houders van dieren
Bijlage II als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit houders van dieren
Bijlage IIa Diersoorten als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a.
Bijlage III als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van het besluit
Bijlage IV als bedoeld in artikel 4.14 van het besluit

§ 4

Houden van varkens voor productie

Artikel 2.11

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht dat kennelijk bestemd is voor de fokkerij;

  2. gebruiksvarken: varken met een leeftijd van ten minste tien weken tot aan het moment waarop het wordt geslacht dan wel een beer of gelt is geworden;

  3. gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen, kennelijk bestemd voor de fokkerij;

  4. gespeend varken: gespeend varken met een leeftijd tot 10 weken;

  5. spenen: blijvend onttrekken van biggen aan een zogende zeug;

  6. stal: ruimte bestemd voor het houden van één of meer varkens;

  7. volwassen beer: beer van 18 maanden of ouder;

  8. zogende zeug: zeug tot aan het spenen van de biggen.

Artikel 2.12

Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door de houder van het varken:

  1. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.3, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen, mits het dier niet ouder is dan zeven dagen;

  2. verrichten van ingrepen als bedoeld in de artikelen 2.3, onderdeel b en 2.6, onderdelen a tot en met c, van het Besluit diergeneeskundigen;

  3. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.3, onderdeel c, van het Besluit diergeneeskundigen, mits dit geschiedt met betrekking tot een bepaald dier op aanwijzing van een praktiserende dierenarts.

Artikel 2.13

  1. Gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen worden in afzonderlijke groepen gehouden.

  2. Een groep gespeende varkens wordt uiterlijk één week na het spenen gevormd.

  3. Een groep gebruiksvarkens wordt gevormd uit varkens afkomstig uit één groep gespeende varkens.

  4. Aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of gebruiksvarkens worden geen varkens toegevoegd.

Artikel 2.14

  1. Er worden maatregelen getroffen om de agressie in groepen zoveel mogelijk te beperken, waaronder in ieder geval het verstrekken van stro of ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens.

  2. Bij tekenen van ernstige gevechten tussen varkens vindt onmiddellijk onderzoek plaats naar de oorzaken daarvan.

Artikel 2.15

  1. In afwijking van artikel 2.13, eerste lid, is het toegestaan:

    1. een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de biggen, individueel te houden;

    2. een gelt of zeug individueel te houden:

      1. vanaf één week voor het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen;

      2. vanaf het spenen tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie;

    3. gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk af te zonderen van de groep voor de periode die nodig is:

      1. voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van het varken;

      2. voor het drachtigheidsonderzoek of het winnen van sperma;

      3. voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het varken;

      4. voor voeropname;

      5. om de stal te reinigen;

    4. varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens buitengewoon agressief zijn of ziek of gewond zijn, dan wel door andere varkens zijn aangevallen.

  2. Bij een tijdelijke afzondering van de groep als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, beschikken de varkens over voldoende ruimte om zich te kunnen omdraaien, voor zover specifiek veterinair advies niet anders luidt.

Artikel 2.16

Stallen waarin varkens worden gehouden zijn op zodanige wijze ingericht dat de varkens:

  1. toegang hebben tot een schone en comfortabele ruimte met een adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk kunnen liggen;

  2. kunnen rusten en ongehinderd kunnen opstaan;

  3. andere varkens kunnen zien.

Artikel 2.17

  1. De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten na dekking of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, bedraagt per gelt of zeug ten minste 2,25 m2.

  2. De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten of zeugen bedraagt per varken met een gemiddeld gewicht ten minste:

    1. tot 15 kg: 0,20 m2;

    2. van 15 tot 30 kg: 0,30 m2;

    3. van 30 tot 50 kg: 0,50 m2;

    4. van 50 tot 85 kg: 0,65 m2;

    5. van 85 tot 110 kg: 0,80 m2;

    6. van meer dan 110 kg: 1,0 m2.

  3. De in het eerste lid bedoelde beschikbare oppervlakte

    1. wordt per gelt of zeug met 10% vergroot indien deze dieren in groepen van minder dan zes varkens worden gehouden, of

    2. kan per gelt of zeug met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.

  4. De in het tweede lid bedoelde beschikbare oppervlakte kan per gespeend varken of gebruiksvarken met een gemiddeld gewicht van meer dan 15 kg, met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.

Artikel 2.18

  1. De voor de varkens beschikbare vloer van een stal bestaat niet geheel uit roostervloer, tenzij de vloer is bestemd voor gespeende varkens of zogende zeugen met biggen en niet is vervaardigd van beton.

  2. Indien de vloer van de in artikel 2.17, eerste lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor gelten of zeugen zonder biggen beschikbare vloer per gelt of zeug ten minste 1,3 m2.

  3. Indien de vloer van de in artikel 2.17, tweede lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer per varken ten minste 40% van de ingevolge artikel 2.17 voorgeschreven beschikbare oppervlakte per varken.

  4. Indien de vloer van de in artikel 2.17, tweede lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt, in afwijking van het derde lid, vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer per varken met een gemiddeld gewicht ten minste:

    1. tot 30 kg: 0,24 m2;

    2. van 30 tot 50 kg: 0,35 m2;

    3. van 50 tot 85 kg: 0,45 m2;

    4. van 85 tot en met 110 kg: 0,60 m2;

    5. van meer dan 110 kg: 0,75 m2.

  5. Indien de vloer van de in artikel 2.20 bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer ten minste twee derden van de totale vloeroppervlakte.

  6. Een vloer of een gedeelte daarvan, die is voorzien van gierdoorlatende openingen, wordt als dicht beschouwd indien:

    1. het totaal aan gierdoorlatende openingen niet meer bedraagt dan 5% van de totale oppervlakte van het dichte deel van de vloer, en

    2. de breedte van gierdoorlatende spleten ten hoogste 10 mm en de doorsnede van ronde gierdoorlatende openingen ten hoogste 20 mm bedraagt.

Artikel 2.19

  1. Gelten en zeugen worden niet aangebonden gehouden.

  2. De zijden van de stal waarin een groep gelten en zeugen wordt gehouden, zijn langer dan 2,8 meter. Indien minder dan zes gelten of zeugen in een groep worden gehouden, zijn de zijden van de stal waarin deze groep wordt gehouden langer dan 2,4 meter.

  3. In een stal waarin gelten of zeugen zonder biggen in voerligboxen worden gehouden, heeft elk varken de beschikking over een vrije ruimte met een lengte van ten minste 2 meter.

  4. Een stal bestemd voor een gelt of een zeug is zodanig ingericht dat achter de gelt of de zeug voldoende vrije ruimte beschikbaar is voor het natuurlijke of het begeleide werpen.

  5. Een stal bestemd voor een zogende zeug met biggen, waarin de zeug zich vrij kan bewegen en kan omdraaien, is voorzien van een bescherming voor de biggen.

  6. In een stal waarin een zogende zeug met biggen zich niet vrij kan bewegen of omdraaien, beschikken de biggen over voldoende ruimte om ongehinderd te kunnen worden gezoogd.

Artikel 2.20

  1. Een beer wordt op zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en andere varkens kan horen, ruiken en zien.

  2. De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer bedraagt ten minste:

    1. voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m2;

    2. voor een beer van 12 maanden tot 18 maanden: 5 m2;

    3. voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m2;

    4. ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m2.

  3. De beschikbare oppervlakte in een stal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, is voor een beer vrij beschikbaar.

Artikel 2.21

  1. De spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer is over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk en bedraagt bij stallen bestemd voor:

    1. zeugen zonder biggen en gelten na dekking: ten hoogste 20 mm;

    2. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren;

    3. gespeende varkens: ten hoogste 14 mm bij betonroostervloeren en 15 mm bij andere roostervloeren;

    4. gebruiksvarkens: ten hoogste 18 mm bij betonroostervloeren en 20 mm bij andere roostervloeren.

  2. De balkbreedte van de roosterbalken van een betonroostervloer bedraagt bij een stal bestemd voor:

    1. biggen en gespeende varkens: ten minste 50 mm;

    2. gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen: ten minste 80 mm.

Artikel 2.22

  1. Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en te manipuleren, zoals stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.

  2. Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.

  3. Het dichte deel van de vloer van een stal bestemd voor een beer of een zogende zeug met biggen is voorzien van strooisel als bedoeld in het eerste lid dan wel, voor wat betreft een zogende zeug met biggen, bedekt met een rubber mat.

  4. Biggen beschikken over een dichte vloer of een vloer bedekt met een rubber mat waarvan de oppervlakte ten minste 0,6 m2 per toom biggen bedraagt.

Artikel 2.23

  1. De lichtintensiteit in een stal bestemd voor varkens bedraagt verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 40 lux gedurende ten minste 8 uur per dag.

  2. In een stal bestemd voor varkens wordt een continue geluidsniveau van 85 dBA of hoger alsmede constant of plotseling lawaai vermeden.

Artikel 2.24

Drachtige zeugen en gelten worden zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten behandeld en worden voordat zij in het kraamhok worden gebracht grondig schoongemaakt.

Artikel 2.25

Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken.

Artikel 2.26

  1. Varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd.

  2. Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water.

  3. Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien.

Artikel 2.27

De invoer van varkens die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de varkens vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEG 2009, L 47).

Artikel 2.27a

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. A-bedrijf: inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel a;

  2. B-bedrijf: inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel b;

  3. C-bedrijf: inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel c;

  4. D-bedrijf: inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, tweede lid;

  5. E-bedrijf: inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel d;

  6. F-bedrijf: inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel e;

  7. onderzoeksinstituut: onderzoeksinstituut dat beschikt over een instellingsvergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de dierproeven;

  8. RE-bedrijf: inrichting als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdeel f.

Artikel 2.27b

  1. Onze Minister registreert op aanvraag een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als:

    1. A-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;

    2. B-bedrijf, indien op de inrichting vrouwelijke varkens worden gehouden voor het produceren van biggen;

    3. C-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens of gebruiksvarkens worden opgefokt tot beer of gelt en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;

    4. E-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens, slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde A-bedrijf en wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen regels;

    5. F-bedrijf, indien op de inrichting gespeende varkens worden opgefokt tot gebruiksvarkens en slechts gespeende varkens worden aangevoerd die uitsluitend afkomstig zijn van hetzelfde B-bedrijf;

    6. RE-bedrijf, indien op de inrichting op elk moment ten hoogste vier of minder varkens en hun eventuele biggen worden gehouden.

  2. Onze Minister registreert een inrichting waar varkens worden gehouden en waar slechts één varkenshouder actief is als D-bedrijf, indien ten aanzien van die inrichting niet is voldaan aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f.

  3. De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en d, kunnen betrekking hebben op:

    1. de ruimte en het terrein waar dieren worden gehouden;

    2. de aanwezige voorzieningen;

    3. de te verrichten onderzoeken bij dieren naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten of zoönosen en de informatie die daarover aan Onze Minister wordt verstrekt.

  4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid te voegen informatie.

Artikel 2.27c

Artikel 2.27b is niet van toepassing op:

  1. een onderzoeksinstituut;

  2. een slachthuis;

  3. een spermawininrichting;

  4. een verzamelcentrum in Nederland.

Artikel 2.27d

  1. Ten hoogste drie houders van varkens die zijn geregistreerd als C-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster:

    1. varkens afneemt van telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf, en

    2. varkens afvoert naar ten hoogste 30 B-bedrijven of D-bedrijven per twaalf maanden.

  2. Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel:

    1. naam en adresgegevens van de betreffende houders;

    2. de verdeling van het aantal afleveradressen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  3. De samenstelling van een cluster en de verdeling van het aantal afleveradressen kunnen éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 2.27e

  1. Twee houders van varkens die zijn geregistreerd als F-bedrijf kunnen zich bij Onze Minister registreren als cluster, indien dat cluster:

    1. varkens afneemt van uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf, en

    2. varkens afvoert naar uitsluitend het B-bedrijf, bedoeld in onderdeel a, of naar ten hoogste:

      1. zes D-bedrijven per periode van zes weken, en

      2. twaalf D-bedrijven per periode van zestien weken.

  2. Bij de registratie melden de houders via een door Onze Minister beschikbaar gesteld middel de naam en adresgegevens van de betreffende houders.

  3. De samenstelling van een cluster kan éénmaal per twaalf maanden worden gewijzigd via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

Artikel 2.27f

Onze Minister kan een registratie als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, schorsen of intrekken, indien de houder:

  1. niet langer voldoet aan de registratievoorwaarden; of

  2. in strijd handelt met de vervoersbepalingen, bedoeld in de artikelen 2.27g tot en met 2.27n.

Artikel 2.27g

  1. Varkens worden slechts vervoerd vanaf of naar een inrichting die is geregistreerd op grond van artikel 2.27b, indien dat vervoer is toegestaan op grond van de artikelen 2.27h tot en met 2.27n.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien een houder varkens:

    1. afvoert naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum;

    2. afvoert naar een spermawininrichting;

    3. afvoert naar een onderzoeksinstituut;

    4. afvoert naar een RE-bedrijf;

    5. aanvoert van of afvoert naar een inrichting in het buitenland, al dan niet via een verzamelcentrum.

Artikel 2.27h

  1. Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een A-bedrijf, indien:

    1. het aanvoer betreft van:

      1. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of spermawininrichting; of

      2. gespeende varkens vanaf een E-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat A-bedrijf afkomstig waren;

    2. die varkens na aanvoer worden gehouden in een stal, afgescheiden van de overige stallen, totdat onderzoek van bloedmonsters is uitgevoerd waaruit blijkt dat in die monsters geen antilichamen zijn aangetroffen tegen klassieke varkenspest en geen gB-antilichamen tegen de ziekte van Aujeszky; of

    3. vanaf dat bedrijf in de zes weken na de dag waarop die varkens zijn aangevoerd slechts varkens worden afgevoerd naar een slachthuis, al dan niet via een verzamelcentrum.

  2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de stal waarin varkens worden gehouden en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  3. Het is toegestaan om varkens af te voeren van een A-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar:

    1. een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf;

    2. telkens hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d; of

    3. telkens hetzelfde E-bedrijf.

Artikel 2.27i

  1. Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een B-bedrijf, indien het aanvoer betreft van:

    1. gelten of zeugen respectievelijk beren die afkomstig zijn van telkens hetzelfde A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of spermawininrichting, of

    2. gespeende varkens of gelten vanaf een F-bedrijf en die varkens oorspronkelijk van dat B-bedrijf afkomstig waren.

  2. Het is toegestaan om varkens af te voeren van een B-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar:

    1. een D-bedrijf al dan niet via hetzelfde F-bedrijf, waarbij per periode van:

      1. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en

      2. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven;

    2. uitsluitend hetzelfde cluster van F-bedrijven.

Artikel 2.27j

  1. Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een C-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf telkens hetzelfde A-bedrijf of E-bedrijf.

  2. Het is toegestaan om varkens af te voeren van een C-bedrijf, indien die afvoer plaatsvindt naar:

    1. een A-bedrijf;

    2. een B-bedrijf of D-bedrijf, waarbij:

      1. per twaalf maanden naar ten hoogste 40 bedrijven wordt afgevoerd; of

      2. voor zover het C-bedrijf onderdeel is van een cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d, per twaalf maanden door de bedrijven in dat cluster gezamenlijk naar ten hoogste 30 bedrijven wordt afgevoerd.

Artikel 2.27k

Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een D-bedrijf, indien die dieren afkomstig zijn van een A-bedrijf, B-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf of F-bedrijf, waarbij per periode van zestien weken aanvoer plaatsvindt van ten hoogste zes bedrijven.

Artikel 2.27l

  1. Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een E-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde A-bedrijf.

  2. Het is toegestaan om varkens af te voeren van een E-bedrijf, indien afvoer plaatsvindt naar:

    1. een A-bedrijf, B-bedrijf of D-bedrijf; of

    2. uitsluitend hetzelfde C-bedrijf of cluster van C-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27d.

Artikel 2.27m

  1. Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een F-bedrijf, indien aanvoer plaatsvindt vanaf uitsluitend een en hetzelfde B-bedrijf.

  2. Het is toegestaan om varkens af te voeren van een F-bedrijf naar:

    1. het B-bedrijf waarvan die dieren oorspronkelijk afkomstig waren; of

    2. een D-bedrijf, waarbij voor zover het F-bedrijf onderdeel is van een cluster van F-bedrijven als bedoeld in artikel 2.27e, per periode van:

      1. zes weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste zes D-bedrijven, en

      2. zestien weken afvoer is toegestaan naar ten hoogste twaalf D-bedrijven.

Artikel 2.27n

Het is toegestaan om varkens aan te voeren op een RE-bedrijf, indien daarmee op het bedrijf niet meer dan vier varkens en hun eventuele biggen worden gehouden.

Artikel 2.27o

  1. Een houder van varkens als bedoeld in artikel 2.27h, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of derde lid, onderdelen b of c, of artikel 2.27i, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, of tweede lid, die uitsluitend van hetzelfde bedrijf dieren ontvangt of aan hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijven dieren levert, registreert dat bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

  2. Een houder als bedoeld in het eerste lid kan éénmaal per twaalf maanden wisselen van leverancier of afnemer van varkens, nadat de houder daarvan melding heeft gedaan bij Onze Minister via een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

  3. De wisseling, bedoeld in het tweede lid, kan voor een A-bedrijf of B-bedrijf zowel voor gelten en zeugen plaatsvinden als voor beren.

Artikel 2.27p

  1. Een houder van varkens voert geen varkens van zijn bedrijf af onderscheidenlijk op zijn bedrijf aan zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister.

  2. Het vervoer, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats binnen zeven dagen nadat toestemming is verkregen.

  3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag en de documentatie van de toestemming, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.27q

  1. Een houder van varkens als bedoeld in artikel 2.27b, eerste lid, onderdelen a tot en met e, en tweede lid, laat die dieren onderzoeken op de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten.

  2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

    1. de aard en de frequentie van het onderzoek;

    2. het aanleveren en bewaren van gegevens;

    3. het ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten;

    4. de gevallen waarin het eerste lid niet van toepassing is.

← terug naar Besluit houders van dieren