-
Het is de eigenaren of gebruikers van erven, landerijen of andere terreinen verboden daarop een hond te houden, die:
aan een ketting of op andere wijze is vastgelegd, indien niet is voldaan aan artikel 3.2;
is ingesloten in een ren, indien niet is voldaan aan artikel 3.3, of
is ingesloten in een ren en daarin aan een ketting of op een andere wijze is vastgelegd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing indien de hond incidenteel is vastgelegd of in een ren wordt gehouden.
Besluit houders van dieren Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemeen
§ 1 Algemene bepalingen
§ 2 Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
§ 3 Doden van dieren
§ 4 Voortplantingstechnieken
§ 5 Overige bepalingen
§ 6 Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
§ 7 Melding en bewaking dierziekten en zoönosen
§ 8 Bijeenbrengen van dieren
§ 9 Houden van schapen of geiten
§ 10 Registratie en erkenning van inrichtingen
§ 11 Identificatie en registratie van dieren
§ 12 Handel
§ 13 Sera en entstoffen
Hoofdstuk 2 Houden van dieren voor landbouwdoeleinden
§ 1 Algemeen
§ 2 Algemene huisvestings- en verzorgingsnormen
§ 3 Diergeneeskundige handelingen en diergeneesmiddelen
§ 3a Reinigen en ontsmetten
§ 4 Houden van varkens voor productie
§ 5 Houden van runderen voor productie
§ 6 Houden van pluimvee voor productie
§ 7 Houden van schapen of geiten voor productie
§ 8 Houden van konijnen voor productie
§ 9 Houden van nertsen voor productie
§ 10 Houden van overige dieren voor productie
Hoofdstuk 3 Houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden
Hoofdstuk 4 Houden van dieren voor vertoning
Hoofdstuk 5 Doden van dieren voor de productie van dierlijke producten
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Bijlage I als bedoeld in artikel 1.20 van het Besluit houders van dieren
Bijlage II als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit houders van dieren
Bijlage IIa Diersoorten als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a.
Bijlage III als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van het besluit
Bijlage IV als bedoeld in artikel 4.14 van het besluit
§ 1
Artikel 3.2
-
Het bevestigingsmiddel, waarmee de hond is vastgelegd, en de halsband, waaraan dat middel is bevestigd, zijn zodanig ontworpen dat er geen wurging of verwonding bij de hond optreedt.
-
Het bevestigingsmiddel heeft een zodanige lengte dat het dier voldoende bewegingsruimte wordt gelaten.
-
De hond wordt niet door obstakels belemmerd in de bewegingsvrijheid die hem door het bevestigingsmiddel, bedoeld in het eerste lid, wordt gelaten.
-
De hond heeft toegang tot een hok dat:
voldoende ruimte biedt aan die hond;
de hond bescherming biedt tegen nadelige weersinvloeden en kou;
eenvoudig kan worden gereinigd.
Artikel 3.3
-
De ren, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b;
is uitsluitend bestemd voor het verblijf van één hond of meerdere honden;
is aan één zijde open;
heeft voldoende oppervlak en hoogte voor de hond of honden die erin wordt gehouden.
-
De bodem van de ren wordt zodanig onderhouden dat deze schoon blijft en niet drassig wordt.
-
Artikel 3.2, vierde lid, is van toepassing.
-
In de ren bevinden zich geen voorwerpen waaraan de hond zich kan verwonden.
Artikel 3.3a
Artikel 10, tweede lid, verordening (EU) nr. 2016/429 is van overeenkomstige toepassing op degene die zich niet-beroepsmatig met dieren bezighoudt.
Artikel 3.4
-
Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.
-
In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:
ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;
uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;
ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;
voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt;
het aantal nesten of nakomelingen dat een gezelschapsdier krijgt de gezondheid of het welzijn van dat dier of de nakomelingen benadeelt.
-
Een hond krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste één nest.
-
Een kat krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste twee nesten of ten hoogste drie nesten in een aaneengesloten periode van vierentwintig maanden.
-
Op het fokken van paarden (inclusief pony’s) en ezels die anders dan voor landbouwdoeleinden worden gehouden, zijn het eerste en tweede lid, met uitzondering van het tweede lid, onder d, van toepassing.