Algemene plaatselijke verordening Zoetermeer BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Openbare uitingen
Afdeling 3. Vertoningen op openbare plaatsen
Afdeling 4. Bruikbaarheid en uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling 5. Evenementen
Afdeling 6. Toezicht op horecabedrijven
Afdeling 7. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling 8. Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling 9. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling 10. Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling 11. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Afdeling 12. Bestrijding van heling van goederen
Hoofdstuk Seksuele aangelegenheden
Hoofdstuk Bescherming van de fysieke leefomgeving
Hoofdstuk 5. Overige regelgeving
Hoofdstuk Slotbepalingen

Hoofdstuk

Openbare orde en veiligheid

Artikel 2:1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw of vaartuig een zaak bij zich te hebben waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde te verstoren dan wel schade aan zaken of letsel aan personen toe te brengen.

  3. Degene die op een openbare plaats

    1. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    2. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    3. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

      is verplicht op bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  4. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 4 x 24 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

    1. naam, telefoonnummer en e-mailadres van degene die de betoging houdt;

    2. de vorm van de betoging;

    3. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    4. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;

    5. voor zovervan toepassing, de wijze van samenstelling; en

    6. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

  5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.

Artikel 2:3

Beperking van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (Vervallen krachtens op 1 februari 2010 in de gemeenteraad aangenomen amendement).

[vervallen.]

Artikel 2:4

Vertoningen op openbare plaatsen

  1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en/of het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Een straatartiest treedt maximaal 30 minuten op binnen een denkbeeldige cirkel met een straal van 50 meter. Een straatartiest treedt niet op binnen een straal van 50 meter van een evenement als bedoeld in artikel 2:12.

Artikel 2:5

Omgevingsvergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  2. De vergunning kan worden geweigerd, als:

    1. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    2. het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

    3. de doorgang voor weggebruikers onaanvaardbaar wordt belemmerd;

    4. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand en aan de criteria en doelen zoals deze zijn vastgelegd in het reclame- en uitstallingenbeleid.

    1. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van de voorwerpen en gebieden nadere regels stellen in het belang van:

      1. de openbare orde;

      2. de woon- en leefomgeving;

      3. de publieke functie van de weg of een weggedeelte, zoals omschreven in het eerste lid.

    2. Op voorwerpen en gebieden waarvoor deze nadere regels gelden, geldt het verbod van het eerste lid niet.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    1. evenementen als bedoeld in artikel 2:12;

    2. terrassen als bedoeld in artikel 2:15;

    3. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:15;

    4. los staande verkiezingsborden, banners of beachvlaggen van een politieke partij, mits alleen tijdelijk geplaatst tijdens een campagne-activiteit voor de duur van de betreffende activiteit en binnen een straal van 2 meter daarvan, en de doorgang voor weggebruikers niet onaanvaardbaar wordt belemmerd;

    5. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de provinciale omgevingsverordening of het Besluit Bouwwerken Leefomgeving.

Artikel 2:6

Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan:

    1. een weg aan te leggen,

    2. de verharding van de weg op te breken,

    3. in een weg te graven of te spitten,

    4. de aard of breedte van de wegverharding te veranderen;

    5. op een andere manier verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg als de activiteiten zijn verboden bij het omgevingsplan.

  2. De vergunning kan worden geweigerd:

    • indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

    • indien dat ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

    • indien niet wordt voldaan aan de eisen van het Handboek Openbare Ruimte.

  3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:7

Omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  2. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren als:

    1. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht,

    2. dat ten koste gaat van een openbare parkeerplaats,

    3. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast,

    4. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten.

  3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:8

Winkelwagentjes

  1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze:

    1. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en

    2. de in de omgeving van dat bedrijf op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

  2. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden meer dan een meter buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, meer dan een meter buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:9

Openen straatkolken en dergelijke

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:10

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:10a

Hinderlijke beplanting en voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:11

Veiligheid op het ijs

  1. Het is verboden:

    1. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    2. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 2:12

Begripsbepaling

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    1. bioscoopvoorstellingen;

    2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    4. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

    5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    6. activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en afdeling 9 van deze verordening;

    7. activiteiten die plaatsvinden in een inrichting en behoren bij het normale gebruik van die inrichting, tenzij deze activiteiten gevolgen kunnen hebben voor de openbare orde.

  2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    1. een herdenkingsplechtigheid;

    2. een braderie;

    3. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 van deze verordening, op de weg;

    4. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats.

    5. door de burgemeester aan te wijzen categorieën vechtsportwedstrijden, of -gala’s.

Artikel 2:13

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor door hem aan te wijzen categorieën evenementen.

  3. De burgemeester kan nadere regels ten aanzien van evenementen vaststellen.

  4. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden vermeld, naast de gegevens die op basis van het aanvraagformulier worden gemeld, de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  5. De burgemeester weigert een vergunning voor de door hem aangewezen vechtsportwedstrijden, of -gala’s als de organisator van slecht levensgedrag is.

Artikel 2:15

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. horeca(bedrijf): het tegen betaling:

    • bereiden en/of verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken; of:

    • verhuren van zalen; of:

    • aanbieden van nachtverblijf.

  2. terras: een buiten de besloten ruimte van het horecabedrijf liggend deel, waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen betaling ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken worden bereid en/of verstrekt.

Artikel 2:15a

Exploitatie horecabedrijf

  1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf dat zich bevindt in:

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    2. een zorginstelling;

    3. een museum;

    4. een bedrijfskantine of – restaurant;

    5. rouwcentra, begraafplaatsen en crematoria

    6. instellingen van paracommerciële rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Alcoholwet.

  3. De burgemeester kan andere categorieën horeca-bedrijven aanwijzen waarvoor de vergunningplicht van lid 1 van dit artikel niet geldt.

  4. De burgemeester kan de exploitatievergunning weigeren of intrekken als:

    1. de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het omgevingsplan;

    2. de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. de ondernemer of de leidinggevende onder curatele staat;

    4. de ondernemer of de leidinggevende niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;

    5. de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing;

    6. voor het horecabedrijf een vergunning krachtens artikel 3 van de Alcoholwet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten.

  5. De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, als:

    1. naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabe-drijf door de aanwezigheid van het horecabedrijf nadelig wordt beïnvloed;

    2. de ondernemer of de leidinggevende het bij of krachtens de bepalingen in deze afdeling geregelde overtreedt;

    3. de ondernemer of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horecabedrijf activiteiten plaatsvinden, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    4. de ondernemer of de leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie;

    5. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, een wijziging in het beheer of een wijziging in de ondernemer en/of onderneming, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd;

    6. zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat hetgeopend blijven van het horecabedrijf gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;

    7. er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  6. De ondernemers die bij de inwerkingtreding van dit artikel al een het horecabedrijf exploiteren zijn vrijgesteld van de vergunningplicht van lid 1 van dit artikel.

  7. De vrijstelling van lid 6 vervalt:

    1. zodra de ondernemer een wijziging, van welke aard dan ook, van de Alcoholvergunning aanvraagt, met uitzondering van een wijziging/aan-vulling van het leidinggevendenaanhangsel; en/of:

    2. een geheel nieuwe Alcoholvergunning aanvraagt en/of;

    3. de burgemeester de ondernemer een waarschuwing en/of een maatregel op basis van de Horecasanctie-strategie Openbare Orde, het Coffeeshopbeleid Zoetermeer en/of het Toezicht- en Handhavingsmodel DHW heeft opgelegd.

Artikel 2:15b

Indieningsvereisten exploitatievergunning

De ondernemer dient de exploitatievergunning aan te vragen onder overlegging van:

  1. een bedrijfs-, of ondernemingsplan waarin tenminste zijn vermeld:

    • de aard van de onderneming;

    • de exploitatievorm;

    • de financiering van de onderneming;

    • de doelgroep;

    • de aangeboden producten.

  2. een nauwkeurige beschrijving van het horecabedrijf inclusief, als van toepassing, het terras, waarbij zijn opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond;

  3. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is om over de ruimte te beschikken;

  4. een verklaring omtrent het gedrag van de ondernemer danwel, als de ondernemer een rechtspersoon is, van degene die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt en van de leidinggevenden;

  5. een verklaring omtrent het gedrag van de leidingge-venden

Artikel 2:15c

Beëindiging en overgang exploitatie

  1. De ondernemer meldt de beëindiging van de exploitatie van het horecabedrijf binnen twee weken schriftelijk aan de burgemeester.

  2. Een rechtsopvolger mag gebruik maken van een rechtsgeldige exploitatievergunning mits hij binnen vier weken nadat de burgemeester bekend is met het feit dat de rechtsvoorganger de exploitatie heeft beëindigd, een nieuwe exploitatievergunning aanvraagt.

  3. Voldoet de rechtsopvolger aan de in lid 2 van dit artikel genoemde termijn, dan mag hij de exploitatie voortzetten totdat de burgemeester op zijn aanvraag heeft beslist.

  4. De exploitatievergunning wordt niet, ook niet na beëindiging van het horecabedrijf op één locatie met de bedoeling deze op een andere locatie voort te zetten, gebruikt voor een andere locatie dan waarvoor hij is afgegeven.

Artikel 2:16

Terrassen

  1. Het is verboden een voor het publiek toegankelijk terras dat deel uitmaakt van een horecabedrijf te exploiteren of te doen exploiteren wanneer het terras:

    1. niet is gelegen nabij een horecabedrijf;

    2. op zichzelf of door de wijze van gebruik schade toebrengt aan de openbare weg;

    3. op zichzelf of door de wijze van gebruik schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    4. op zichzelf of door de wijze van gebruik gevaar of hinder oplevert voor een veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    5. op zichzelf of door de wijze van gebruik ontoelaatbare overlast oplevert of een gevaar vormt voor de openbare orde;

    6. in strijd is met het omgevingsplan;

    7. in strijd is met het bepaalde in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    8. niet voldoet aan de nadere regels die ingevolge lid 2 door het college zijn gesteld;

    9. niet vooraf aan de burgemeester is gemeld. De melding bestaat in elk geval uit:

      • de naam en het adres van het horecabedrijf

      • de indeling en uitvoering van het terras;

      • de periode waarin het terras wordt geëxploiteerd;

      • een plattegrond met de afmeting van het terras.

  2. Het college kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en het voorkomen van overlast nadere regels stellen aan de exploitatie van een terras. Tot de nadere regels behoren in elk geval voorschriften over de afmeting van het terras en de sluitingsuren.

Artikel 2:17

Sluitingstijden

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, voor een of meer horecabedrijven sluitingstijden vaststellen.

  2. Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit geopend te hebben, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven na het sluitingsuur, zoals de burgemeester dat op grond van het eerste lid heeft vastgesteld.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

Artikel 2:18

Sluiting voor bepaalde of onbepaalde tijd

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in het geval van bijzondere omstandigheden, een horecabedrijf voor bepaalde of onbepaalde tijd sluiten.

  2. Het is de houder van een horecabedrijf verboden na het inwerking treden van de sluiting daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

Artikel 2:19

Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:17 of ingevolge een op grond van artikel 2:18 genomen besluit gesloten dient te zijn.

Artikel 2:20

Handel in horecabedrijven

De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:21

Ordeverstoring

Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.

Artikel 2:22

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van de artikelen 2:17 tot en met 2:19.

Artikel 2:22c

Proeverij in slijtlokaliteit

  1. Slijtlokaliteiten zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun lokaliteit.

  2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Artikel 2:23

Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. de wet: de Wet op de kansspelen;

  2. Speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 2000;

  3. speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;

  4. behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan:

    1. het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen, en

    2. het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spellen verkregen wordt;

  5. kansspelautomaat: een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is;

  6. aanwezigheidsvergunning: de in artikel 30b eerste lid van de wet bedoelde vergunning voor het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten.

  7. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

  8. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

  9. Speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder c, van de wet;

  10. ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;

  11. beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast;

  12. openbare weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot die wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede kampeerplaatsen en de aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

Artikel 2:24

Hoog en Laagdrempelige inrichtingen

  1. Voor hoogdrempelige inrichtingen kan een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen worden verleend voor maximaal twee kansspelautomaten.

  2. In een hoogdrempelige inrichting mogen maximaal vier speelautomaten aanwezig zijn, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.

  3. In een laagdrempelige inrichting mogen maximaal vier speelautomaten aanwezig zijn, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Artikel 2:25

Exploitatie speelautomatenhal

    1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

    2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen

  1. De burgemeester kan voor maximaal drie speelautomatenhallen een vergunning verlenen.

  2. De burgemeester hoort voordat hij de vergunning(en) verleent de raad over de voorgestelde locaties.

  3. De raad maakt binnen vier weken kenbaar of er bedenkingen zijn tegen de voorgestelde locaties.

  4. Als de raad tegen een bepaalde locatie stemt geeft ze vervolgens via een motie aan dat voor die locatie geen exploitatievergunning kan worden afgegeven.

Artikel 2:26

Indieningsvereisten exploitatievergunning speelautomatenhal

De ondernemer dient de vergunning aan te vragen onder overlegging van:

  1. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats en in welk aantal kansspel- en/of behendigheidsautomaten worden opgesteld;

  2. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is om over de ruimte te beschikken;

  3. een verklaring omtrent het gedrag van de ondernemer danwel, indien de ondernemer een rechtspersoon is, van degene die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt en van de beheerder

Artikel 2:27

Beslistermijn

De burgemeester beslist binnen zestien weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende bescheiden heeft ontvangen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste zestien weken worden verdaagd.

Artikel 2:28

De exploitatievergunning voor een speelautomatenhal

  1. In de vergunning wordt de naam van de beheerder/worden de namen van de beheerders vermeld. De vergunning wordt verleend voor maximaal 15 jaar. Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:

    • de openingstijden van de speelautomatenhal,

    • het toezicht in de speelautomatenhal,

    • het aantal en type speelautomaten dat mag worden opgesteld,

    • de exploitatie van de hal.

  2. Voor een speelautomatenhal kan een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen worden verleend voor ten hoogste 100 speelautomaten, waarvan ten hoogste 4 behendigheidsautomaten.

  3. De burgemeester stelt gunningscriteria vast ten behoeve van de vergunnings-verleningsprocedure.

Artikel 2:29

Weigeringsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    1. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is,

    2. de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt,

    3. de ondernemer of de beheerder(s) onder curatele staat (staan) of bewind is ingesteld over een of meer aan hen toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19, van het Burgerlijk Wetboek,

    4. door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed,

    5. de beheerder niet beschikt over een bewijs van voldoende kennis en inzicht met betrekking tot het gebruik van speelautomaten en de daaraan verbonden risico’s van kansspelverslaving als bedoeld in artikel 30d lid 4 onder b van de Wet op de kansspelen,

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid, onder b.

Artikel 2:30

Intrekkingsgronden

De burgemeester kan de vergunning onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 intrekken, indien:

  1. in of vanuit de speelautomatenhal heeft zich een feit of hebben zich feiten voorgedaan of is aannemelijk dat in de toekomst zich een feit gaat voordoen of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal nadelig wordt beïnvloed;

  2. de openbare orde wordt verstoord of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de speelautomatenhal wordt verstoord of benadeeld;

  3. de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit de speelautomatenhal, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn speelautomatenhal strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

  4. de exploitant of de beheerder zich schuldig maakt aan discriminatie;

  5. de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

  6. er aanwijzingen zijn dat in de speelautomatenhal personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  7. de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan vier maanden wordt onderbroken.

Artikel 2:30a

Sluitingstijden en tijdelijk sluiten

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de veiligheid of ter voorkoming of beperking van overlast:

    • voor een speelautomatenhal openingstijden vaststellen;

    • de speelautomatenhal voor bepaalde of onbepaalde tijd sluiten;

  2. het is verboden om een speelautomatenhal voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten buiten de vastgestelde openingstijden;

  3. het is verboden om een speelautomatenhal voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten gedurende de periode dat de speelautomatenhal voor bepaalde of onbepaalde tijd is gesloten.

Artikel 2:31

Betreden gesloten woning of lokaal

  1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

  4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2:32

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    1. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    2. met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  3. Het verbod bedoeldin het tweede lid is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  4. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

  7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:33

Vervoer plakgereedschap e.d.

  1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing, als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:32.

Artikel 2:34

Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen

  3. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  4. Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:34a

Messen, wapens en vergelijkbare voorwerpen

  1. Het is verboden op een openbare plaats messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Dit verbod is niet van toepassing als de bedoeldemessen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt:

    • niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om te dreigen, geweld te plegen of anderszins criminele activiteiten te verrichten; en/of

    • zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend.

  3. Dit verbod geldt niet voor wapens behorende bij de categorieën I, II, III, IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van de voorwerpen bedoeld in het eerste lid de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Artikel 2:35

Gedrag op openbare plaatsen

  1. Het is verboden op een openbare plaats:

    1. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere

    2. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:36

Alcoholnuttigingsverbod

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw die deel uitmaken van een door de burgemeester aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor zover artikel 45 van de Alcoholwet van toepassing is.

  3. Het verbod is niet van toepassing op:

    1. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en

    2. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2:36a

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:36b

Drugsverbod

  1. Het is verboden op een openbare plaats, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

  2. Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats, op het openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhan-den te hebben.

Artikel 2:37

Verboden gedrag bij of in gebouwen

  1. Het is verboden zonder redelijk doel:

    1. zich in een portiek of poort op te houden;

    2. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:37a

Instrument woonoverlast

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt draagt er zorg voor dat:

    • door gedragingen in of vanuit die woning of vanaf dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt of:

    • in de onmiddellijke nabijheid van die woning of vanaf dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf tegen betaling in gebruik geeft draagt er zorg voor dat:

    • door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt of:

    • in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  3. Als de burgemeester naar aanleiding van een schending van de zorgplicht zoals verwoord in de leden 1 en 2 van dit artikel een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang oplegt kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.

  4. De burgemeester stelt beleidsregels op ter uitvoering van het instrument tegen woonoverlast.

Artikel 2:38

Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:39

Neerzetten van fietsen of bromfietsen en dergelijke

  1. Het is verboden op een openbare plaats een fiets, een scooter, een bromfiets en dergelijke te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek als:

    1. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

    2. daardoor die ingang wordt versperd.

  2. Het is verboden op het trottoir een fiets, een scooter, een bromfiets en dergelijke zodanig te plaatsen of te laten staan dat daardoor de doorgang wordt gehinderd of belemmerd voor voetgangers, invalidenwagens, kinderwagens en dergelijke.

  3. Het is verboden op of nabij een aangebrachte geleidelijn voor blinden en slechtzienden een fiets, een scooter, een bromfiets en dergelijke te plaatsen of te laten staan.

Artikel 2:40

Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden zich op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:41

Loslopende honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    1. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond is aangelijnd;

    2. op een door het college aangewezen plaats;

    3. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen openbare plaats zonder dat die hond is aangelijnd;

    4. op een openbare plaats indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  2. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

    1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond

Artikel 2:42

Verontreiniging door honden

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond

    1. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of

    2. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

  4. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond of degene die de hond onder zijn hoede heeft er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  5. De houder of verzorger van de hond en ook degene die een hond onder zijn hoede heeft is verplicht, indien hij zich op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor verwijdering van de uitwerpselen.

  6. De houder of verzorger van de hond en ook degene die een hond onder zijn hoede heeft, die zich met die hond op of aan de weg bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.

Artikel 2:43

Gevaarlijke honden

  1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod, een muilkorfgebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een muilkorfgebod is opgelegd, is verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    2. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    3. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:41, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:44

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren of het voeren van dieren

  1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    1. aanwezig te hebben;

    2. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    3. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.

    4. te voeren.

  2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:45

Bedelarij

Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.

Artikel 2:47

Nachtverblijf

  1. Het is verboden om al dan niet gebruikmakend van enige vorm van beschutting, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van een motorvoertuig op een openbare plaats tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen, dan wel tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een ambtenaar van politie of een toezichthouder in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde of veiligheid is aangezegd dat dit moet worden beëindigd

  2. Het is verboden op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

  3. Het college kan van het in het eerste en tweede lid gestelde ontheffing verlenen.

Artikel 2:48

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. consumentenvuurwerk vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik;

  2. bus: een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee vergelijkbaar voorwerp;

  3. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water met gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen waarbij door de explosieve verbranding een object wordt weggeschoten.

Artikel 2:49

Gebruik van consumentenvuurwerk

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

  4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:49a

Verbod carbidschieten

  1. Het is verboden om te carbidschieten.

  2. Het is verboden om voorwerpen en/of stoffen bij zich te hebben en/of te vervoeren met als overduidelijk doel te carbidschieten.

  3. Het verbod van lid één en van lid twee geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:50

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan op basis van artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:35, 2:36, 2:37 of artikel 2:38 van de Algemene plaatselijke verordening Zoetermeer groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:51

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan op basis van artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:52

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan op basis van artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen.

Artikel 2:52a

Toezicht op openbare gebouwen

  1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw, niet zijnde een openbare inrichting of seksinrichting, of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceel gedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de (hoofd)toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende er, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van een gebouw, ruimte of erf als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  6. Op aanvraag van een belanghebbende kan:

    1. een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden;

    2. een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:52b

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  2. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

  3. bedrijf: het voor een publiek toegankelijk gebouw waarin de bedrijfsmatige activiteit, niet zijnde een seksinrichting, plaatsvindt of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

Artikel 2:52c

Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten

  1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfs-matige activiteiten aanwijzen indien naar zijn oordeel de openbare orde wordt verstoord, het woon- of leefklimaat of de leefbaarheid wordt aangetast of indien er sprake is van ondermijning.

  2. Een aanwijzing van een gebouw of gebied ka n zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

  3. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor het grondgebied van de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit zeer ernstig onder druk staat.

  4. Voordat de burgemeester een besluit op grond van het derde lid van dit artikel neemt, stelt hij de raad via de voorhangprocedure in staat bedenkingen en zienswijzen ten aanzien van dat besluit kenbaar te maken.

Artikel 2:52d

Vergunning uitoefening bedrijf

  1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    1. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:52c aangewezen gebouw of gebied voor de door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; en/of

    2. met door de burgemeester aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren:

    1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    3. de exploitant en/of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met de Omgevingswet of het omgevingsplan.

Artikel 2:52e

Vergunningaanvraag

  1. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant.

  2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    1. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en/of beheerder;

    2. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    3. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    4. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    5. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    6. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf is/wordt gevestigd;

    7. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant dan wel, indien de ondernemer een rechtspersoon is, van degene die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt en van de beheerder.

  4. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 2:52f

Intrekking en wijziging van een vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:52d intrekken of wijzigen indien:

  1. als gevolg van de vestiging van het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; en/of

  2. als gevolg van de vestiging van het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; en/of

  3. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten niet worden nageleefd; en/of

  4. de exploitant en/of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; en/of

  5. de exploitant en/of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde wordt verstoord; en/of

  6. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; en/of

  7. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; en/of

  8. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; en/of

  9. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet langer met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; en/of

  10. de vestiging of de exploitatie in strijd is met de Omgevingswet of het omgevingsplan.

Artikel 2:52g

Sluiting bedrijf

  1. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2:52d wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:52f, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

  2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2:52h

Geboden en verboden exploitant

  1. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 2:52e zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden.

  2. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet.

  3. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of de beheerder aanwezig is.

  4. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

Artikel 2:52i

Melding en wijziging beheerders

  1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens een persoon als beheerder te laten bijschrijven op de vergunning als bedoeld in artikel 2:52d lid 1.

  2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel bij de in het vorige lid bedoelde vergunning.

  3. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan de in artikel 2:52f onder d gestelde eisen.

  4. De burgemeester kan de wijziging van het aanhangsel weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 2:52j

Bestaande bedrijven

Voor aangewezen gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van de aanwijzing reeds worden uitgeoefend, kan de burgemeester een termijn vaststellen waarop de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2:52d in werking treedt.

Artikel 2:53

Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:54

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    1. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    2. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    3. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover van toepassing - soort, merk en nummer van het goed;

    4. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed en

    5. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:55

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    2. van een verandering van de onder 1, bedoelde adressen;

    3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Zoetermeer