Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten op de openbare weg (z)
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen (z)
Afdeling Toezicht op horecabedrijven en op voor publiek toegankelijke gebouwen (z)
Afdeling Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden (z)
Afdeling Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (z)
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast (z)
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheids-risicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen en verblijfsontzeggingen
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Toezicht op horecabedrijven en op voor publiek toegankelijke gebouwen (z)

Artikel 2:27

Begripsbepalingen (z)

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt en/of dranken worden geschonken en/of rookwaren en/of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt en bereid. En elke andere inrichting, waarvan de bedrijvigheid in ieder geval in belangrijke mate mede gericht is op het verstrekken van etenswaren en/of dranken, ten einde deze ter plaatse te nuttigen, het bieden van amusement en het gelegenheid geven tot ontspanning. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, discotheek, buurthuis, clubhuis, grillroom, coffeeshop, shishalounge en zalenverhuur. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden;

    2. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en verstrekt.

  1. Exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd.

  2. Leidinggevende: degene die als zodanig staat vermeld op het aanhangsel bij de verleende Alcoholwetvergunning of exploitatievergunning.

  3. Restaurant: een horecabedrijf primair gericht op verstrekking van volledige maaltijden.

  4. Coffeeshop: een horecabedrijf gericht op de verkoop van hennep of hasjiesj.

  5. Shishalounge: een horecabedrijf waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruik van waterpijpen door middel van een exploitatievergunning voor een horecabedrijf met de aantekening ‘shishalounge’.

  6. Onder bezoeker wordt in deze afdeling verstaan: een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van:

    1. leidinggevenden;

    2. personen die in de inrichting dienst doen;

    3. personen wier aanwezigheid in de inrichting vanwege dringende redenen noodzakelijk is.

  7. Onder sterke drank in deze paragraaf wordt verstaan: sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet.

  8. Horecaconcentratiegebied: een gebied waar zich veel bezoekers en veel horecabedrijven bevinden, dat als zodanig door de burgemeester is aangewezen.

Artikel 2:28

Exploitatievergunning horecabedrijf (z)

  1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Het is verboden een commercieel horecabedrijf voor het publiek geopend te hebben als de exploitant of de leidinggevende niet in de inrichting aanwezig is.

  3. De exploitant en de leidinggevende doen wat nodig is voor een goede gang van zaken in het horecabedrijf en in de directe omgeving daarvan en zijn verantwoordelijk voor een deugdelijke exploitatie.

  4. De vergunninghouder van het horecabedrijf dient regelmatig in het horecabedrijf aanwezig te zijn.

    1. De vergunning kan voor bepaalde termijn worden verleend indien niet met voldoende zekerheid de mate van nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde kan worden beoordeeld.

    2. De vergunning, al dan niet met aantekening, wordt voor bepaalde termijn verleend conform het desbetreffende beleid wanneer het aantal vergunningen of ontheffingen beperkt is en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft (schaarse vergunning).

  5. De burgemeester wijst categorieën van voorzieningen aan, waar horeca een nevenactiviteit is, waarvoor de vergunningplicht genoemd in het eerste lid niet geldt.

  6. Voor zover het horecabedrijf gelegen is in een vaartuig dat gebruikt wordt voor het vervoeren van personen is hiervoor, tijdens hun gebruik als zodanig, geen exploitatievergunning vereist.

  7. Voor zover het horecabedrijf een bed and breakfast betreft is hiervoor geen exploitatievergunning vereist indien:

    1. tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal twee kamers Bed & Breakfast diensten worden aangeboden;

    2. niet anderen dan de Bed & Breakfast gasten toegang hebben.

  8. De vergunning vervalt zodra de exploitant van de vergunning, de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk heeft beëindigd. Van beëindiging is in ieder geval sprake, indien:

    1. het horecabedrijf blijkens de registers van de Kamer van Koophandel niet meer voor rekening van de exploitant, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd;

    2. op grond van andere informatie blijkt, dat het horecabedrijf niet meer voor rekening van de exploitant, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd.

  9. De vergunning vervalt eveneens:

    1. indien sinds de vergunning onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    2. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    3. de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:28a

Vergunningaanvraag (z)

  1. De vergunning kan uitsluitend worden aangevraagd door middel van een door de gemeente Zaanstad gehanteerd aanvraagformulier.

  2. Bij de aanvraag om een exploitatievergunning moeten in ieder geval worden overgelegd:

    1. een schriftelijk stuk waaruit de juridische relatie van de exploitant met het desbetreffende perceel tot uitdrukking komt, zoals een huurovereenkomst, pachtovereenkomst of eigendomsbewijs;

    2. een ondernemingsplan met informatie over de aard van het horecabedrijf, de exploitatievorm, de beoogde doelgroep en een financiële bijlage met hierin in ieder geval een investerings- en financieringsbegroting.

    3. een op grond van de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en volledig ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden;

    4. indien de aanvraag een terras betreft, een locatietekening met afmetingen;

    5. een uittreksel van de inschrijving van het horecabedrijf bij de Kamer van Koophandel waarop het adres van het horecabedrijf staat vermeld.

  3. Bij de aanvraag voor het bijschrijven van een leidinggevende op het aanhangsel behorende bij een exploitatievergunning moeten in ieder geval worden overlegd:

    1. kopie geldig legitimatiebewijs;

    2. ondertekende arbeidsovereenkomst van de exploitant met de leidinggevende.

  4. In afwachting van het besluit bedoeld in het derde lid, mag een nieuwe leidinggevende werkzaamheden uitoefenen vanaf het moment waarop de exploitant een ontvangstbevestiging heeft gekregen op zijn aanvraag als bedoeld in het derde lid, totdat op de aanvraag is besloten.

  5. In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het voorgaande afwijken.

  6. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28b

Algemene weigerings- en intrekkingsgronden exploitatievergunning (z)

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 en 1:8 weigert de burgemeester de aangevraagde horeca-exploitatievergunning of trekt deze in indien:

    1. de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het geldende (tijdelijke) omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

    2. de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    3. de exploitant of leidinggevende niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    4. de exploitant of leidinggevende onder curatele of bewind is gesteld;

    5. de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen of genomen beslissing;

  2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf, dan wel indien de veiligheid en gezondheid van de bezoekers van die inrichting, gelet op de wijze waarop die inrichting zal worden of wordt geëxploiteerd, in gevaar gebracht kan worden en daar redelijkerwijze niet in kan worden voorzien door het stellen van voorschriften en/of beperkingen. Bij de toepassing van de genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met:

    1. het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;

    2. de aard van het horecabedrijf;

    3. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf;

    4. de wijze van exploitatie van de vergunninghouder en leidinggevende(n) in dit horecabedrijf of andere horecabedrijven;

  3. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.50 Verordening Fysieke Leefomgeving beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden tevens over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  4. Onverminderd het voorgaande kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen weigeren:

    1. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    2. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    3. indien het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan, in door de burgemeester aangewezen gebieden.

  5. Voor het exploiteren van een terras als bedoeld in het derde lid kan de burgemeester nadere regels stellen.

Artikel 2:28c

Bijzondere intrekkings- of wijzigingsgronden van de exploitatievergunning (z)

Onverminderd de in artikel 1:6 en 2:28b genoemde gronden voor het intrekken of wijzigen van een vergunning, en onverminderd de bepalingen van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, kan de burgemeester de exploitatievergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen indien:

  1. zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de kansspelen;

  2. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend;

  3. naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf door de aanwezigheid van het horecabedrijf nadelig wordt beïnvloed;

  4. in strijd is gehandeld met artikel 2 en/of 3 van de Opiumwet of aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet;

  5. aannemelijk is dat de exploitant of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf dan wel als naar het oordeel van de burgemeester de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag als bedoeld in artikel 2:28b, een dergelijk gevaar of bedreiging vormen;

  6. de exploitant of de leidinggevende toelaat of gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare en/of beboetbare feiten worden gepleegd;

  7. zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;

  8. er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  9. de exploitant of leidinggevende bij of krachtens deze verordening gestelde regels niet nakomt;

  10. de exploitant of leidinggevende de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt.

Artikel 2:28f Nadere regels (z)

  1. De burgemeester kan nadere regels stellen over de beoordeling van aanvragen voor vergunningen als bedoeld in artikel 2:28d.

  2. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:

    1. het aantal vergunningen met aantekening coffeeshop dat ten hoogste wordt verleend. De burgemeester kan hierbij onderscheid maken naar gebieden;

    2. vestigingscriteria, waaronder de locatie waar een coffeeshop is toegestaan;

    3. het aantal vergunningen dat ten hoogste aan een exploitant wordt verleend.

  3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 2:28b lid 2 kan de burgemeester criteria vaststellen voor de beoordeling of de aanwezigheid van een coffeeshop nadelig is voor de belangen genoemd in dat artikel.

Artikel 2:29

Sluitingstijd (z)

    1. het is verboden een horecabedrijf van de omgevingsplancategorie lichte horeca voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf toe te laten of te laten verblijven tussen 00:00 en 07:00 uur.

    2. het is verboden een horecabedrijf van omgevingsplancategorie zware en middelzware horeca voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in het horecabedrijf toe te laten of te laten verblijven tussen 02:00 en 07:00 uur.

    3. in afwijking van het bepaalde onder a en b en met inachtneming van het bepaalde onder d, kan de burgemeester voor zware en middelzware horeca in Zaanstad en voor lichte horeca in het horecaconcentratiegebied van Zaandam een ontheffing verlenen van de onder a en b bepaalde sluitingstijden. Het horecabedrijf dat een ontheffing krijgt dient zich te houden aan de volgende regels:

      • het is verboden om tussen 03:00 en 07:00 uur nieuwe bezoekers toe te laten in het horecabedrijf;

      • het is verboden om tussen 05:00 en 07:00 uur bezoekers in het horecabedrijf te laten verblijven. Dit betekent dat het horecabedrijf om 05:00 uur moet sluiten.

    4. de burgemeester verleent alleen een ontheffing als bedoeld onder c, indien het horecabedrijf voldoet aan de portierverplichting, inhoudende het inzetten van een gecertificeerde portier, vanaf 24:00 uur tot het moment van sluiting, op de volgende momenten:

      • in de nacht van vrijdag op zaterdag;

      • in de nacht van zaterdag op zondag;

      • op Koningsdag en de dag daarvoor;

      • in de nacht van 31 december op 1 januari.

    5. het horecabedrijf kan aanspraak maken op vrijstelling van de portierverplichting als bedoeld onder d. Een verzoek hiertoe kan na 3 maanden van exploitatie ingediend worden bij de burgemeester na overlegging van een veiligheidsplan.

    6. voor een zogenaamd ‘droog’ horecabedrijf, een bedrijf waar geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt, geldt in beginsel geen portierverplichting. Tenzij de burgemeester dit noodzakelijk oordeelt met het oog op de veiligheid. Dan kan hij in de exploitatievergunning bepalen dat deze portierverplichting wel geldt.

    7. Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben of daarop bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

      * tussen 23.00 uur en 10.00 uur als het horecabedrijf niet is gevestigd in het horeca concentratiegebied van Zaandam;

      * tussen 00.00 uur en 10.00 uur als het een horecabedrijf betreft van de bestemmingsplancategorie lichte horeca, gevestigd in het horecaconcentratiegebied van Zaandam;

      * tussen 02.00 uur en 10.00 uur als het een horecabedrijf betreft van de zware en middelzware horeca dat is gevestigd in het horecaconcentratiegebied van Zaandam.

  1. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.

  2. De burgemeester kan een horecabedrijf van de omgevingsplancategorie lichte horeca ontheffing verlenen van de sluitingstijd:

    1. Per horecabedrijf kan maximaal twee keer per jaar in geval van bijzondere gelegenheden ontheffing worden verleend tot ten hoogste 02:00 uur;

      Geen ontheffing kan worden aangevraagd voor een terras.

  3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijden en afwijkende voorschriften en beperkingen horecabedrijf (z)

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven – al dan niet tijdelijk – :

  1. andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen, en/of;

  2. afwijkende voorschriften en beperkingen opleggen, zoals het opleggen van een portierverplichting of de exploitant te gelasten zorg te dragen dat steeds wanneer horecabezoekers in de zaak aanwezig zijn van buitenaf kan worden waargenomen hetgeen binnen voorvalt.

Artikel 2:30a

Sluiting horecabedrijf (z)

  1. De burgemeester kan een horecabedrijf tijdelijk of voor onbepaalde tijd sluiten indien:

    1. dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    2. het horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    3. zich een of meer van de in artikel 2:28b en 2:28c genoemde situaties voordoen.

  2. Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:30b

Sluiting gebouw of ruimte (z)

  1. De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat, de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:

    1. zich binnen de inrichting gedragingen hebben voorgedaan zoals omschreven in artikel 36 van de Wet op de kansspelen;

    2. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;

    3. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;

    4. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of

    5. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:30c

Regels met betrekking tot sluiting (z)

  1. De burgemeester kan het besluit tot sluiting verlengen indien de gronden die tot sluiting hebben geleid nog steeds aanwezig zijn.

  2. De burgemeester kan het sluitingsbevel intrekken dan wel niet verlengen als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

  3. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.

  4. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

  5. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen.

  6. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden.

  7. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bijbehorend erf.

Artikel 2:31

Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.

Artikel 2:33

Ordeverstoring (z)

  1. Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.

  2. De exploitant en/of leidinggevende van het horecabedrijf draagt zorg dat personen die de orde verstoren terstond uit het horecabedrijf worden verwijderd en verwijderd blijven.

  3. De exploitant en/of leidinggevende draagt zorg voor het herstel van de orde in de inrichting indien deze wordt verstoord.

  4. Bij dreigende of plaatshebbende ordeverstoring in het horecabedrijf is (zijn) de bezoeker(s) verplicht zich op eerste vordering van de politie uit het bedrijf te verwijderen.

  5. In het belang van de openbare orde en ter voorkoming van verstoring van het woon- en leefklimaat is het verboden in een publiek toegankelijke inrichting of gebouw verdovende middelen als bedoeld in lijst I en II behorend bij de Opiumwet, te gebruiken dan wel dit gebruik toe te staan, anders dan in een coffeeshop waarvoor een gedoogverklaring en exploitatievergunning is verleend.

Artikel 2:34

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013