Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE
Afdeling Bestrijding van ongeregeldheden
Afdeling Betoging
Afdeling Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Afdeling Veiligheid op de weg
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Voor publiek openstaande gebouwen
Afdeling Regulering aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Afdeling Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Afdeling Vuurwerk
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, gebiedsontzeggingen en cameratoezicht openbare orde
Afdeling Route gevaarlijke stoffen
HOOFDSTUK SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
HOOFDSTUK STRAF-, OVERGANGS- en SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting: inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gedeelten van de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als de precieze datum van een collectieve festiviteit nog niet bekend is, wordt de festiviteit zonder datum bekend gemaakt.

  5. Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, festiviteiten terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het college kan, ter voorkoming of beperking van geluidhinder, voorwaarden verbinden aan de festiviteiten.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  3. Er is een (digitaal) standaardformulier voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid. Het college stelt dit formulier vast.

  4. De kennisgeving is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  5. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. Het ongebruikt laten van een dag voor een collectieve festiviteit betekent niet dat het aantal dagen voor incidentele festiviteiten evenredig toeneemt. Uitwisselen tussen dagen voor collectieve festiviteiten en dagen voor incidentele festiviteiten is niet toegestaan.

  7. Het college kan, ter voorkoming of beperking van geluidhinder, voorwaarden verbinden aan de festiviteiten.

  8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, uiterlijk om 02:00 uur (op vrijdag, zaterdag en zondag) en om 01:00 uur (op de overige dagen van de week) beëindigd.

  9. De vrijstelling van de geluidsnormen, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid tijdens incidentele festiviteiten blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

    5. Tabel:

  2. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  3. Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.

Artikel 4:5

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de omgevingswet, of van het Activiteitenbesluit milieubeheer (recreatie)toestellen, (bouw)machines of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening kunnen aan een ontheffing als bedoeld in het vorige lid voorschriften worden verbonden betreffende:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van geluidsbronnen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  5. Op de ontheffing genoemd in lid 2 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder of overlast voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a

Verbod oplaten of achterlaten ballonnen

  1. Het is verboden een of meer ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen of een of meer ballonnen, zonder hete lucht, helium of een ander gas, in het milieu achter te laten;

  2. Onder een ballon wordt in elk geval verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, (Thaise) wensballon, papierballon, geluksballon of elk ander daarmee vergelijkbaar voorwerp.

Artikel 4:10

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1.30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. Bomen geplant vanuit herplant- of instandhoudingsplicht zijn uitgezonderd van deze begripsomschrijving;

  2. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen;

  3. hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

  4. bomensingel: lijnvormige element als begrenzing langs wegen of cultuurgronden, rond erven en of gebouwen;

  5. houtwal: lijnvormige element als begrenzing langs wegen of tussen cultuurgronden, landbouwgronden, weilanden en percelen;

  6. dunnen: gedeeltelijk verwijderen van houtopstand ter bevordering van de duurzame instandhouding van de houtopstand, welke niet valt onder vellen; wordt de kroonsluiting teruggebracht tot minder dan 60%, dan is er sprake van kap vellen (uitgezonderd beschermingsgebieden als bedoeld in het plaatselijk bomenregister);

  7. kandelaberen: het snoeien van de kroon van een boom, waarbij de takken worden weggesnoeid en waardoor de boom het uiterlijk van een kandelaar of kandelaber krijgt, met dien verstande dat het in stand houden van de door kandelaberen ontstane kroonvorm onder het begrip knotten valt;

  8. knotten: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

  9. bebouwde kom: in afwijking van het bepaalde in artikel 1:1, aanhef en onder a, de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1, aanhef, onder a, Wet natuurbescherming;

  10. boomwaarde: waarde van de boom berekend aan de hand van het Rekenmodel boomwaarde volgens de erkende richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB);

  11. plaatselijk bomenregister: bomenregister als bedoeld in artikel 4:12, lid 2, van deze verordening;

  12. vellen: in deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip vanverplanten, kandelaberen alsmede het verrichten van handelingen zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:11a

Meldingsplicht

  1. Degene, die beschikkingsbevoegd is ten aanzien van een houtopstand of diens gemachtigde, en die voornemens is om een houtopstand te vellen of te doen vellen, moet dat voornemen schriftelijk melden aan het college met een door het college vastgesteld meldingsformulier.

  2. Uiterlijk twee weken na ontvangst van de melding wordt aan de melder meegedeeld of wel of geen omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van de houtopstand nodig is.

Artikel 4:11b

Vergunningplicht

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand, welke voorkomt in het plaatselijk bomenregister, te vellen of te doen vellen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. houtopstand, die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college;

    2. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud of noodzakelijk voor de instandhouding van de houtopstand om de functie ervan te blijven vervullen;

    3. het periodiek knotten als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 4:11d

Weigeringsgronden

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 4:11b, weigeren dan wel (onder voorschriften) verlenen in het belang van onder meer:

    • natuur- en milieuwaarden;

    • landschappelijke waarden;

    • cultuurhistorische waarden;

    • waarden van stads- en dorpsschoon;

    • waarden voor recreatie en leefbaarheid.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 kunnen tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften behoren, aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

  3. In afwijking van lid 1 kan de burgemeester toestemming geven tot direct vellen indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.

Artikel 4:11d1

Herplantplicht en instandhoudingsplicht

  1. Bij het teniet gaan of doen gaan/vellen van een houtopstand uit het plaatselijk bomenregister (zonder omgevingsvergunning) kan het bevoegd gezag aan de rechthebbende op een houtopstand een herplantplicht opleggen en daaraan voorschriften verbinden; de rechthebbende op de houtopstand is verplicht daaraan te voldoen.

  2. Indien een houtopstand uit het plaatselijk bomenregister in zijn voortbestaan ernstig wordt bedreigd kan het bevoegd gezag aan de rechthebbende op de houtopstand de verplichting opleggen om overeenkomstig nadere aanwijzingen voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt opgeheven; de rechthebbende op de houtopstand is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:11e

Lex Silencio Positivo (vergunning van rechtswege)

[vervallen]

Artikel 4:11h

Intrekking vergunning (artikel 2.33, lid 2, onder g, Wabo)

[vervallen]

Artikel 4:11j

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, wordt vastgesteld op 0.50 meter voor bomen en nihil (0.00 meter) voor heggen en heesters.

Artikel 4:11m

Bestrijding van boomziekten

Indien zich op een terrein een of meer bomen bevinden, die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vastgestelde termijn te voldoen aan de gestelde verplichtingen in de aanschrijving.

Artikel 4:11n

Verhouding tussen kap- en bouw- of aanlegvergunning

(vervallen)

Artikel 4:12

Bomenregister

  1. Het bomenregister wordt vastgesteld door het college.

  2. Het bomenregister omvat van elke opgenomen houtopstand in ieder geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het kadastrale perceelsnummer, de eigenaar en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van de houtopstand.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben;

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:14

Stankoverlast door gebruik van meststoffen

[gereserveerd]

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht.

Artikel 4:16

Vergunningsplicht handelsreclame

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien de handelsreclame:

      • in totaal geen grotere oppervlakte heeft dan 1.00 m² en

      • is aangebracht op of aan de onroerende zaak voor zover die betrekking heeft op een aldaar uitgeoefend beroep, bedrijf of dienstverlening en

      • niet (direct of indirect) verlicht is;

    1. betrekking heeft op een werk in uitvoering en geplaatst is onmiddellijk bij het werk en niet langer aanwezig is dan gedurende de uitvoering van het werk;

    2. betrekking heeft op die onroerende zaak ten behoeve van de openbare verkoping, het aanbieden voor de verkoop, verhuur of verpachting ervan, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft;

    3. van tijdelijke aard is bij de verkoop van seizoensgebonden agrarische producten ter plaatse waar ze worden gekweekt;

    4. omgevingsvergunningplichtig is wat betreft de activiteit bouwen en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

    1. in het belang van de verkeersveiligheid;

    2. in het belang van voorkoming of beperking van overlast of hinder voor de omgeving;

    3. voor zover het handelsreclame betreft in een beschermd stads- en dorpsgezicht en die niet valt onder de uitzondering van lid 2 van dit artikel, indien de reclame op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, waaronder de criteria voor reclames uit de geldende welstandsnota;

    4. indien er geen directe relatie is tussen de reclame en het gebruik van de onroerende zaak, waar de reclame bij/aan is geplaatst.

Artikel 4:17

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18a

Kamperen buiten kampeerterrein

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college de ontheffing weigeren in het belang van de bescherming van natuur, landschap of een stadsgezicht.

  4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:18b

Verenigingskamperen en groepskamperen

  1. Het college kan ontheffing van het verbod uit het vorige artikel verlenen voor groepen om gedurende korte periode buiten een kampeerterrein te kamperen. Daarbij moet de initiatiefnemer aantonen dat er geen bestaande waarden worden verstoord of aangetast (geen kap van bomen en struiken, geen aantasting of verstoring van beschermingswaardige flora en fauna, geen aantasting van de bodemstructuur).

  2. Aan deze ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden:

    1. voorschriften betreffende de aard en het aantal toe te laten kampeermiddelen, afhankelijk van de grootte en ligging van het kampeerterrein;

    2. voorschriften betreffende de verblijfsduur, maximaal tien dagen;

    3. voorschriften ter bescherming van de in artikel 4:18a, lid 3, bedoelde belangen.

  3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan het college voor scoutinggroepen ontheffing verlenen voor een tijdsduur van maximaal vijf jaar. Daarbij bedraagt de maximale verblijfsduur tien aaneengesloten dagen per groep, met een maximum van 100 dagen per jaar.

  4. Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:18c

Kamperen op eigen terrein

  1. Het plaatsen van één kampeermiddel op eigen terrein is gedurende het gehele jaar toegestaan, dit onder de voorwaarde dat het kampeermiddel niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. Bovendien dient dit kampeermiddel binnen 20 meter uit de bebouwing behorende tot een burgerwoning of op het agrarische bouwblok gesitueerd te worden.

  2. Gedurende een korte periode van maximaal twee weken is het toegestaan om één kampeermiddel op eigen terrein te hebben zichtbaar vanaf de openbare weg, voor het verrichten van werkzaamheden en “vakantie gereed” maken van het kampeermiddel.

  3. Dit kampeermiddel mag gedurende maximaal twee weken per jaar voor recreatief nachtverblijf worden gebruikt.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Weert