1. Het college kan ontheffing van het verbod uit het vorige artikel verlenen voor groepen om gedurende korte periode buiten een kampeerterrein te kamperen. Daarbij moet de initiatiefnemer aantonen dat er geen bestaande waarden worden verstoord of aangetast (geen kap van bomen en struiken, geen aantasting of verstoring van beschermingswaardige flora en fauna, geen aantasting van de bodemstructuur).

  2. Aan deze ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden:

    1. voorschriften betreffende de aard en het aantal toe te laten kampeermiddelen, afhankelijk van de grootte en ligging van het kampeerterrein;

    2. voorschriften betreffende de verblijfsduur, maximaal tien dagen;

    3. voorschriften ter bescherming van de in artikel 4:18a, lid 3, bedoelde belangen.

  3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan het college voor scoutinggroepen ontheffing verlenen voor een tijdsduur van maximaal vijf jaar. Daarbij bedraagt de maximale verblijfsduur tien aaneengesloten dagen per groep, met een maximum van 100 dagen per jaar.

  4. Op de ontheffingen is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.