1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de omgevingswet, of van het Activiteitenbesluit milieubeheer (recreatie)toestellen, (bouw)machines of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:4 van deze verordening kunnen aan een ontheffing als bedoeld in het vorige lid voorschriften worden verbonden betreffende:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van geluidsbronnen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  5. Op de ontheffing genoemd in lid 2 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.