1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6, kan de burgemeester de vergunning intrekken indien de exploitatie van de speelgelegenheid voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken of onderbroken is.

  2. Indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2:39d, eerste lid, onder a.