1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft onderstaande afvalstoffen in een periode die daartoe door de gemeente is aangewezen, tenzij sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving:

    1. het verbranden van kerstbomen en het stoken van Sint Maartensvuren;

    2. het verbranden van snoei- en sprokkelhout waarvoor de Plantenziektekundige dienst een aanzegging heeft afgegeven in het kader van de Plantenziektewet of daarvan afgeleide AMvB's;

    3. het verbranden van snoei- en sprokkelhout dat vrijkomt bij het gezond houden van de aanplant bij fruitteeltbedrijven en boom- en rozenkwekerijen;

    4. het verbranden van snoei- en sprokkelhout dat afkomstig is van onderhoud aan de erfbeplanting van agrarische bedrijven en woonerven en van landschapselementen in het buitengebied van de gemeente;

    5. het verbranden van genetisch gemodificeerd plantmateriaal indien dit op basis van een wettelijke regeling dan wel een verleende vergunning is vereist.

  3. Aan het begin van elk kalenderjaar wordt door het college een periode/perioden aangewezen waarop het is toegestaan de onder het tweede lid genoemde afvalstoffen te verbranden.

  4. Voorafgaand aan de in het derde lid genoemde periode, worden de voorschriften waaraan het stoken van de genoemde afvalstoffen moet voldoen, alsmede de betreffende periode, op de gebruikelijke wijze gepubliceerd.

  5. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving is het verbod niet van toepassing op:

    1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    2. sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    3. vuur voor koken, bakken en braden.

  6. Het college kan van het verbod genoemd in het eerste lid ontheffing verlenen.

  7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  8. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg 2021.

  9. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.