1. Het is degene die op of aan een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet gebruikt of verhandelt, of daartoe post vat of zich heen en weer beweegt, of zich in of op een voertuig bevindt of daarmee heen en weer of rond rijdt, of zich gedraagt in strijd met artikel 2:74, verboden zich te bevinden in een door het college aangewezen gebied en in voor het publiek toegankelijke gebouwen die in dat gebied gelegen zijn, nadat dit aan diegene in het belang van de openbare orde door de burgemeester bij diens besluit is bekend gemaakt.

  2. In het in het eerste lid genoemde besluit van de burgemeester wordt het tijdvak vermeld waarvoor het besluit geldt.

  3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet indien betrokkene in het aangewezen gebied zijn woning heeft, zijn werk of beroep uitoefent of hulpverlenende instanties bezoekt.