1. De burgemeester weigert de vergunning, als:

    1. de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    2. de exploitant of leidinggevende onder curatele staat;

    3. de exploitant of leidinggevende de leeftijd van eenentwintig jaar niet heeft bereikt;

    4. de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met het omgevingsplan;

    5. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke situatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    6. in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en het vorige lid kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, als:

    1. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark, of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed;

    2. dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.