1. Het is verboden een terras bij een openbare inrichting in te richten en te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien vestiging of de exploitatie van het terras bij een openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  3. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien:

    1. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van een terras bij een openbare inrichting;

    2. het terras hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoen aan redelijke eisen van welstand;

    3. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    4. dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  4. Bij de toepassing van de in het derde lid, onder a en b, genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het terras is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het terras van een openbare inrichting en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse al blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het terras.

  5. Het bepaalde in het derde lid, onder c en d, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  6. In afwijking van artikel 1:5 is de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, niet persoonsgebonden.

  7. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing