In deze afdeling wordt verstaan onder:
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge de Wet natuurbescherming;
boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een diameter van de stam van minimaal 15 centimeter op 1,30 meter boven maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;
dunning: velling uitsluitend ter bevordering van de overblijvende houtopstand waarbij de kronen van de overblijvende bomen na 3 jaar weer gesloten moeten zijn en waarbij de beboste oppervlakte gelijk blijft of velling ter bevordering van de natuurwaarden waarbij de kronen niet gesloten hoeven te zijn met als doel om zo de onderliggende beplanting tot ontwikkeling te laten komen op basis van aantoonbare ecologische meerwaarde;
forse snoei: het reduceren van 50% of meer van de takken van de boom;
hakhout: speciale onderhoudsvorm, waarbij een of meerdere bomen periodiek op circa 20 tot 80 centimeter boven de grond worden afgezaagd, waarna ze op de stronk weer opnieuw uitlopen;
hoofdgroenstructuur: de in de ‘Beleidsnota Openbaar Groen 2021’ vastgestelde zonering;
kandelaberen: het sterk innemen van de kruin, waarbij doorgaans de takken van de kroon met 50% tot 80% wordt ingekort. De takken worden hierbij geamputeerd zonder naar de zijtakken te kijken;
knotten: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als (periodiek) noodzakelijk onderhoud;
lijst met beeldbepalende en monumentale bomen: een door het college vastgestelde lijst met bomen;
vellen: rooien, kappen, verplanten, het fors snoeien van meer dan 50% van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben.