1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen, oplegger of ander dergelijk object, langer dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor direct gebruik of het vakantie- of stallingsklaar maken, op of aan de weg te plaatsen of te hebben.

  2. De redelijke noodzaak, als bedoeld in lid 1, is in ieder geval na 5 opeenvolgende kalenderdagen verstreken.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.