Algemene plaatselijke verordening gemeente Son en Breugel 2024 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
HOOFDSTUK ALGEMENE BEPALINGEN
HOOFDSTUK OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID
Paragraaf Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3 Evenementen
Paragraaf Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 6 Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 7 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Paragraaf Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 9 Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 10 Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 10A Carbidschieten
Paragraaf Afdeling 11 Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
HOOFDSTUK REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN
HOOFDSTUK BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
Paragraaf Afdeling 1 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting
Paragraaf Afdeling 2 Bodem-, weg en milieuverontreiniging
Paragraaf Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden
HOOFDSTUK ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
Paragraaf Afdeling 1 Parkeerexcessen
Paragraaf Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten
Paragraaf Afdeling 3 Openbaar water
Paragraaf Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Paragraaf Afdeling 5 Verbod vuur te stoken
Paragraaf Afdeling 6 Verstrooiing van as
Paragraaf Afdeling 7 Openbare veiligheid
HOOFDSTUK SANCTIE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK

OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID

Artikel 2.1

Samenscholing en ongeregeldheden

  1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  2. Degene die op een openbare plaats:

  3. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

  4. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of;

  5. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  1. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2.1a

Ordeverstoring

Het is verboden, in welke vorm dan ook, de orde te verstoren.

Artikel 2.3

Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging zal worden gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  2. De kennisgeving bevat:

  3. naam en adres van degene die de betoging houdt;

  4. het doel van de betoging;

  5. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

  6. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

  7. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

  8. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  9. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  10. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12:00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12:00 uur.

  11. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2.10

Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg

  1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als:

  2. dat gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg;

  3. dat gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  4. bij het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg vanwege werkzaamheden op aangrenzende percelen, het gebruik eerder dan 1 week van tevoren begint en later dan 1 week na voltooiing van de werkzaamheden wordt beëindigd;

  5. het gaat om gedwongen (woning)ontruimingen; of

  6. het gaat om reclame-uitingen;

  7. deze langer dan 4 weken worden geplaatst;

  8. buitengemeentelijke reclame-uitingen. Deze mogen slechts worden geplaatst door een door het college gecontracteerde aanbieder van reclame media;

  9. reclame-uitingen met een commercieel doel, anders dan evenementen (artikel 2.25) en incidentele festiviteiten (artikel 4.3). Deze mogen slechts worden geplaatst door een door het college gecontracteerde aanbieder van reclame media.

  10. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,20 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

  11. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor uitstallingen en reclameborden.

  12. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

  13. Het verbod is niet van toepassing op:

  14. evenementen als bedoeld in artikel 2.25;

  15. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.18;

  16. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  17. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.12

Maken of veranderen van een uitweg

  1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:

  2. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of

  3. het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.

  4. Van de melding wordt kennis gegeven in het gemeenteblad op www.overheid.nl.

  5. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als:

  6. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

  7. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

  8. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

  9. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  10. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.

  11. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2.15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2.16

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan;

  2. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

  3. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.

  5. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2.25

Definities

  1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

  2. bioscoop- en theatervoorstellingen;

  3. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet en artikel 5.18 van deze verordening;

  4. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

  5. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

  6. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  7. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder e.

  8. Onder evenement wordt mede verstaan:

  9. een herdenkingsplechtigheid;

  10. een braderie;

  11. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3;

  12. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

  13. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s;

  14. een straatfeest of buurtbarbecue;

  15. een bijeenkomst die gerelateerd is aan outlaw motor gangs en andere door de burgemeester aangewezen vergelijkbare groeperingen.

Artikel 2.26

Evenementenvergunning

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.

  3. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor eendaagse evenementen, indien het evenement een barbecue of straatfeest of een culturele activiteit in de open lucht betreft. Hiervoor moet een melding worden gedaan bij de burgemeester.

  4. Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  5. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2.25, tweede lid, onder e, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s.

  6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, onder e, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.

  7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  8. Het college stelt een evenementenbeleid op met aanvullende regels voor het organiseren van evenementen.

Artikel 2.28

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

  2. openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt;

  3. leidinggevende: de natuurlijke persoon, die algemene en/of onmiddellijke leiding geeft aan een onderneming, waarin de openbare inrichting wordt geëxploiteerd.

  4. In deze afdeling wordt verstaan onder;

  5. alcoholhoudende drank;

  6. paracommerciële rechtspersoon;

  7. zwak-alcoholhoudende drank;

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet

  1. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

Artikel 2.28a

Terrassen

  1. Het is verboden om, zonder vergunning van het college een terras te exploiteren.

  2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het exploiteren van een terras.

Artikel 2.29

Exploitatie openbare inrichting

  1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. Dit verbod geldt niet indien wordt gehandeld krachtens een vergunning ingevolge de Alcoholwet tot het uitoefenen van een horecabedrijf.

  3. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als:

  5. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting;

  6. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is zoals bedoeld in artikel 8 van de Alcoholwet;

  7. in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  8. Bij de toepassing van de in het vierde lid, onder a, genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting.

  9. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

  10. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

  11. zorginstelling;

  12. museum; of

  13. bedrijfskantine of – restaurant.

  14. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.31

Sluitingstijden

  1. Openbare inrichtingen, niet zijnde een inrichting als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid, zijn gesloten:

  2. op maandag tot en met vrijdag tussen 01:00 uur en 06:00 uur;

  3. op zaterdag en zondag tussen 03:00 uur en 06:00 uur, waarbij:

  4. Vanaf 02:00 uur geen bezoekers meer tot de openbare inrichting worden toegelaten;

  5. Vanaf 02:30 uur het grote licht in de openbare inrichting aangaat, de muziekinstallatie uit staat en er geen drank meer wordt verstrekt.

  6. op een algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Algemene termijnenwet en carnavals zondag, maandag en dinsdag geldt het bepaalde onder lid 1, sub b.

  7. Cafetaria’s, snackbars, afhaalrestaurants of shoarmazaken zijn gesloten:

  8. op maandag tot en met vrijdag tussen 01:30 uur en 06:00 uur;

  9. op zaterdag en zondag en op een algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Algemene termijnenwet tussen 02:30 uur en 06:00 uur.

  10. Openbare inrichtingen die geëxploiteerd worden door een paracommerciële rechtspersoon en in hoofdzaak in gebruik zijn bij jeugdorganisaties of -instellingen of bij sportorganisaties of -instellingen, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 24:00 uur en 06:00 uur.

  11. Openbare inrichtingen die geëxploiteerd worden door een paracommerciële rechtspersoon en in hoofdzaak in gebruik zijn bij organisaties of instellingen met een sociaal en/of cultureel doel, zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 24:00 uur en 06:00 uur en op zaterdag en zondag tussen 01:00 uur en 06:00 uur.

  12. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

  13. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd genoemd in het eerste en tweede lid.

  14. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.29, vijfde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  15. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.

  16. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.32

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2.35

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2.29 tot en met 2.32 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2.36

Toegang ambtenaren van politie, gemeentelijke BOA’s en toezichthouders gemeente.

De houder van een openbare inrichting is verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie, gemeentelijke boa’s en toezichthouders van de gemeente vanaf de openbare weg onmiddellijk en onbelemmerde toegang hebben tot zijn verblijf:

  1. gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend is; dan wel

  2. gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren van politie of gemeentelijke boa’s of toezichthouders van de gemeente hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.

Artikel 2.36a

Regulering paracommerciële rechtspersonen

  1. Paracommerciële rechtspersonen die zich voornamelijk richten op het organiseren van activiteiten met een sociaal en/of cultureel doel, zoals gemeenschapshuizen en multifunctionele accommodaties, verstrekken zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend vanaf 12:00 uur tot maximaal twee uur na afloop van de laatste activiteit.

  2. Paracommerciële rechtspersonen die zich voornamelijk richten op het organiseren van sportacitiviteiten of activiteiten voor jongeren verstrekken zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend vanaf 12:00 uur tot maximaal één uur na afloop van de laatste activiteit.

  3. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2.37

Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  1. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;

  2. houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2.38

Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2.42

Speelautomaten

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

  2. Wet: de Wet op de kansspelen

  3. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet;

  4. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;

  5. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

  6. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

  7. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.

  8. In laagdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Artikel 2.42a

Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning

  1. In dit artikel wordt verstaan onder:

  2. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  3. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

  4. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  5. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is.

  6. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.

  7. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken.

  8. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat.

  9. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan – indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is – eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.

  10. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

  11. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of

  12. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of

  13. in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.

  14. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 (=de algemene weigeringsgronden ) kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

  15. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

  16. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  17. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

  18. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

  19. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

  20. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  21. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een omgevingsvergunning en/of;

  22. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  23. Naast - en in aanvulling op - artikel 1.4 lid 1 APV kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het tweede lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.

  24. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overlegd:

  25. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

  26. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  27. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

  28. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

  29. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

  30. een verklaring omtrent gedrag (VOG);

  31. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  32. naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagd exploitatievergunning betrekking heeft.

  33. indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  34. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen:

  35. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

  36. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

  37. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

  38. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

  39. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

  40. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een omgevingsvergunning;

  41. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

  42. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

  43. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

  44. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd en/of

  45. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.

  46. Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet. Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

  47. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, van toepassing is.

  48. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het negende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.

  49. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.

  50. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.

  51. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

  52. Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt. De overgangstermijn bedraagt minimaal 6 maanden en maximaal 1 jaar.

  53. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.43

Plakken en kladden

  1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

  3. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

  4. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  5. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  6. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

  7. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  8. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  9. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2.44

Hinderlijk gedrag

  1. Het is verboden zich op of bij een openbare plaats zodanig te gedragen dat hierdoor voor overige weggebruikers of omwonenden hinder, overlast of gevaar kan ontstaan.

  2. Het is verboden op of bij een openbare plaats zaken of stoffen bij zich te hebben of te gebruiken waarmee hinder of overlast wordt, of kan worden, veroorzaakt.

  3. Het is voorts verboden op of bij een openbare plaats zaken of stoffen bij zich te hebben waarmee schade kan worden veroorzaakt aan, of toegang kan worden verschaft tot, zaken die rechtens aan een ander toebehoren. Onder schade wordt in dit verband mede verstaan: gevolgschade.

  4. Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  5. De in het tweede, derde en vierde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op degenen die ter plaatse en ten genoegen van een ambtenaar van politie aannemelijk maken dat genoemde voorwerpen of stoffen bestemd zijn of gebezigd worden voor andere handelingen dan die welke in die leden wordt genoemd.

  6. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.46

Vervoer inbrekerswerktuigen

  1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatige sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2.50

Verboden drankgebruik

  1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  2. Het verbod is niet van toepassing op:

  3. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

  4. een andere plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2.57

Uitnodigen of aanlokken tot ontuchtige handelingen

  1. Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of op een plaats, zichtbaar vanaf de weg iemand door woord, houding, gebaar of op enigerlei andere wijze tot ontuchtige handelingen uit te nodigen, dan wel aan te lokken;

  2. Een ieder die van een ambtenaar van politie of van gemeentelijke Buitengewoon Opsporingsambtenaren in het belang van de naleving van het bepaalde in het eerste lid, het bevel krijgt zich van de daar bedoelde plaats te verwijderen in een bepaalde richting, is verplicht onverwijld aan het bevel gevolg te geven;

  3. Het is degene aan wie dit door de burgemeester in het belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te bevinden op of aan de door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de tijdsduur daarbij genoemd;

  4. Het in het derde lid gestelde verbod geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste 12 weken.

Artikel 2.61

Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats

  1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden, tussen zonsondergang en zonsopgang;

  2. Het verbod geldt niet:

  3. voor vaartuigen die een ligplaats innemen op de Sonse jacht-/passantenhaven (Kanaaldijk-Zuid 2 te Son en Breugel);

  4. voor woonwagens met een woonbestemming;

  5. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;

  6. voor evenementen waarvoor op basis van artikel 2.26 een vergunning is verleend of melding is gedaan en de burgemeester hiertegen geen bezwaren heeft.

Artikel 2.62

Overlast of schade door dieren

  1. Het college kan bepaalde plaatsen of gebieden aanwijzen waar het verboden is om daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben;

  2. ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid en;

  3. de overlast of schade niet genoegzaam te beperken is door aan het houden van deze dieren voorwaarden te stellen.

  4. Het is de eigenaar of houder van een dier verboden dit dier, op of aan de weg, los te laten lopen.

  5. Voorts is het de eigenaar of houder van een dier verboden, dit dier te laten verblijven op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

  6. Het college wijst gebieden aan waar het bepaalde in het tweede lid niet geldt mits het dier onder voldoende toezicht wordt gehouden.

  7. De in het tweede en derde lid bepaalde verboden gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of hulphond.

Artikel 2.63

Hondenpoep

  1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

  2. Degene die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van uitwerpselen van honden.

  3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

  4. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

  5. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

  6. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2.64

Gevaarlijke honden

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

  2. anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

  3. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  4. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  5. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

  6. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

  7. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

  8. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  9. Een hond als bedoeld in het eerste lid dient voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2.64a

Gevaarlijke honden op eigen terrein

  1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijn gebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.64, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

  3. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; en

  4. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en

  5. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2.66

Definitie

In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.67

Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

  2. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

  3. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

  4. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk nummer van het goed;

  5. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

  6. de naam, de geboortedatum en het adres van degene die het goed heeft verkregen aan de hand van een legitimatiebewijs.

  7. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  8. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.68

Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

  2. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

  3. van een verandering van de onder 1 bedoelde adressen;

  4. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

  5. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  6. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  7. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  8. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2.71

Definitie

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2.72

Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.73

Carbidschieten

  1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

  2. De burgemeester kan voor het gebied buiten de bebouwde kom ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur tot 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.

  3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.78

Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.79

Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2.80

Verblijfsontzegging in verband met drugs

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met artikel 2.78 en 2.79 een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging).

  2. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met artikel 2.78 en 2.79, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad.

  3. De burgemeester beperkt het in het eerste of tweede lid genoemde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  4. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2.81

Verzamelingen van personen in verband met drugs

  1. Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen indien deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van, of de handel in, middelen als bedoeld in artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

  2. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een bevoegd opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2.82

Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1, 2.10, 2.50, 2.78, 2.79 of 5.34 groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2.83

Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2.84

Cameratoezicht op openbare plaatsen

  1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaatsen.

Artikel 2.85

Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder moet doen of nalaten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

  3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

  4. geluid- of geurhinder;

  5. hinder van dieren;

  6. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn;

  7. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

  8. intimidatie van derden vanuit de woning of het erf.

Artikel 2.86

Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf

  1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2.32, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  3. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  4. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het derde lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.

  6. De burgemeester kan een sluiting, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening gemeente Son en Breugel 2024