1. Het is verboden zich op of bij een openbare plaats zodanig te gedragen dat hierdoor voor overige weggebruikers of omwonenden hinder, overlast of gevaar kan ontstaan.

  2. Het is verboden op of bij een openbare plaats zaken of stoffen bij zich te hebben of te gebruiken waarmee hinder of overlast wordt, of kan worden, veroorzaakt.

  3. Het is voorts verboden op of bij een openbare plaats zaken of stoffen bij zich te hebben waarmee schade kan worden veroorzaakt aan, of toegang kan worden verschaft tot, zaken die rechtens aan een ander toebehoren. Onder schade wordt in dit verband mede verstaan: gevolgschade.

  4. Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  5. De in het tweede, derde en vierde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op degenen die ter plaatse en ten genoegen van een ambtenaar van politie aannemelijk maken dat genoemde voorwerpen of stoffen bestemd zijn of gebezigd worden voor andere handelingen dan die welke in die leden wordt genoemd.

  6. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.