1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

  2. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  3. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  4. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  5. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  6. de houder dit verzoekt.

  7. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.