Algemene plaatselijke verordening Soest 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Afdeling Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Afdeling Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling Evenementen
Afdeling Toezicht op openbare inrichtingen
Afdeling Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Afdeling Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Afdeling Toezicht op speelgelegenheden
Afdeling Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Afdeling Bestrijding van heling van goederen
Afdeling Consumentenvuurwerk en carbidschieten
Afdeling Drugsoverlast
Afdeling Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  2. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  3. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  4. gevoelige terreinen; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  5. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  6. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  7. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  8. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  6. Het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan LAeq 80 dB(A), LCeq 93 dB(C) en LAmax 95 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van de inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

  7. De geluidsnorm als bedoeld in het voorgaande lid is inclusief onversterkte muziek. Bij de beoordeling van muziekgeluiden wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gelaten.

  8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening, uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, met dien verstande dat een maximale eindtijd van 00.00 uur geldt indien de afstand tussen de erfgrens van de inrichting en de gevel van de dichtstbijzijnde woning minder dan 50 meter bedraagt.

Artikel 4:3

Melding incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar, waarvan maximaal drie dagen of dagdelen in de buitenruimte behorend bij de inrichting, incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. In afwijking van de vorige zin geldt voor inrichtingen in het buitengebied een aantal van maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar.

  2. In afwijking van het eerste lid geldt voor het openluchttheater gelegen aan de Soesterbergsestraat 140 te Soest een maximum van twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar voor het houden van incidentele festiviteiten waarbij de in het eerste lid genoemde geluidsnormen niet van toepassing zijn, mits de houder van die inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  3. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. In afwijking van de vorige zin geldt voor inrichtingen in het buitengebied een aantal van maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar.

  4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  6. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  7. Het equivalente geluidsniveau veroorzaakt vanuit de binnenruimte van de inrichting bedraagt niet meer dan:

  8. Het equivalente geluidsniveau veroorzaakt vanuit de buitenruimte van de inrichting bedraagt niet meer dan:

  9. In afwijking van het achtste lid bedraagt het equivalente geluidsniveau, gemiddeld over vijf minuten, veroorzaakt vanuit het in het tweede lid genoemde openluchttheater niet meer dan:

    1. 130 dB(A) en 143 dB(C) gemeten op een meter van de bron;

    2. 95 dB(A) en 103 dB(C) gemeten op de bovenste ring van de tribune.

  10. De geluidswaarden als bedoeld in het zevende, achtste en negende lid zijn inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  11. Op de dagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek, hoger dan de in het eerste lid genoemde geluidsnorm, in de binnenruimte uiterlijk om 01.00 uur beëindigd en in de buitenruimte uiterlijk om 23.00 uur (van zondag t/m donderdag) respectievelijk om 01.00 uur (op vrijdag en zaterdag) beëindigd.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is het bepaalde in de Nota geluidsregels Soest 2024 en diens rechtsopvolger(s), van toepassing.

  2. [Gereserveerd].

  3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  4. [Gereserveerd].

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

  4. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op besloten tuinfeesten, zolang men zich aan de volgende regels houdt:

    1. (muziek)geluid mag tot uiterlijk 24.00 uur ten gehore worden gebracht;

    2. de omwonenden in een straal van 100 meter worden vooraf schriftelijk over het feest geïnformeerd, waarbij een telefoonnummer wordt vermeld waarop de organisator tijdens het feest bereikbaar is;

    3. er mag geen overmatige overlast voor de omgeving worden veroorzaakt, dit ter beoordeling van het college of een toezichthouder.

  5. Het college kan een tuinfeest verbieden, indien niet is voldaan aan één of meer van de voorwaarden, genoemd in het vorige lid, of de woonomgeving reeds blootstaat aan een onevenredige geluidsbelasting, dit ter beoordeling van het college of een toezichthouder.

Artikel 4:6a

Mosquito

  1. Onder mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  2. In afwijking van artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buitengebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:10

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1, aanhef en onder a, Wet natuurbescherming.

  • Beleid: de beleidsnota Bescherming en kap van bomen 2012 “Bomen de groene parels van Soest”, en diens rechtsopvolger(s).

  • Beschermwaardige boom: boom in categorie 1 tot en met 3 van het Beleid en vastgelegd op de Bomenkaart "de groene parels van Soest".

  • Bomeneffectanalyse (BEA): een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen activiteiten voor het duurzaam behouden van bomen of houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen zoals neergelegd in het Handboek ‘Bomen’ van het Norminstituut Bomen.

  • Boom: een houtachtig overblijvend gewas met kroon en opgaande stam(men), zowel levend als afgestorven, met een stamomtrek van minimaal 30 cm, gemeten op 1.30 meter boven maaiveld. In geval van meerstammigheid, geldt de stamomtrek van de dikste stam.

  • Boombeschermingszone: te beschermen groeiruimte van een boom in volgroeide toestand, waarbij als basis wordt uitgegaan van de kroonprojectie plus anderhalve meter.

  • Boomstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden en/of begrensd gebied met houtopstanden dat tezamen een functioneel geheel vormt.

  • Bouwvlak: een krachtens het omgevingsplan geometrisch bepaald vlak waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten.

  • Dunnen: het vellen van een houtopstand uitsluitend bedoeld als voorzorgmaatregel ter bevordering van de groei en instandhouding van de overblijvende houtopstand.

  • Eigenaar: degene die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  • Hoofdgebouw: hetgeen daarover is bepaald in het omgevingsplan, dan wel, bij gebreke daarvan, hetgeen daarover is bepaald in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • Houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk deel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of heg, met de onder sub e genoemde minimale stamomtrek.

  • Ingrijpende vormsnoei: het voor het eerst ingrijpend snoeien van een uitgegroeide kroon, (zoals kandelaberen) waarbij het risico bestaat van ernstig beschadigen of ontsieren van de boomkroon.

  • Kavelgrootte: totale oppervlakte van de kavel, zoals bekend bij het Kadaster, inclusief eventuele aangekochte aangrenzende gronden van dezelfde eigenaar. Bij huurwoningen is de kavelgrootte van de gehuurde woning van toepassing, niet de kavelgrootte in bezit van de eigenaar (corporatie).

  • Parkwijk: begrensd woongebied met houtopstanden die tezamen een functioneel geheel vormen.

  • Vellen: het kappen, rooien, verplanten, dunnen en ingrijpende vormsnoei van/bij een boom, alsmede het verrichten van handelingen in de boombeschermingszone, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

  • Vormsnoei: het verwijderen van uitgelopen takhout op de oude snoeiplaats bij vormbomen, zoals knot- en leibomen.

  • Wet natuurbescherming: Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 4:11

Beschermwaardige bomen (categorieën 1 t/m 3): Bomenkaart en register

  1. Het bevoegd gezag stelt een Bomenkaart "de groene parels van Soest" met register vast. De kaart met bijbehorend register bevat een samenhangend geheel van beschermwaardige bomen. Op de Bomenkaart staan alle beschermwaardige bomen vermeld.

  2. Het bij de Bomenkaart behorende register bevat een omschrijving van de in het Beleid onder de categorieën 2 en 3 bedoelde monumentale en waardevolle bomen. Het register bevat minimaal de plaatsaanduiding, soort houtopstand, redengevende beschrijving, kadastrale gegevens, eigendomsgegevens en een of meer foto's van de betreffende houtopstand.

  3. De eigenaar van een beschermwaardige houtopstand is verplicht het bevoegd gezag schriftelijk melding te doen van:

    1. de eigendomsoverdracht van de houtopstand;

    2. het geheel of gedeeltelijk teniet gaan van de houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende vergunning;

    3. de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet zal gaan als gevolg van voorgenomen werkzaamheden van welke aard dan ook of door stormschade.

  4. De melding dient te geschieden binnen vier weken na de eigendomsoverdracht respectievelijk het geheel of gedeeltelijk tenietgaan, dan wel onmiddellijk indien sprake is van de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet zal gaan.

Artikel 4:11a

Beschermwaardige bomen: toetsingscriteria

Bij de beslissing omtrent plaatsing van een houtopstand op de Bomenkaart worden de criteria gehanteerd zoals neergelegd in het Beleid.

Artikel 4:11b

Beschermwaardige bomen: verbod op vellen behoudens vergunning

  1. Het is verboden beschermwaardige bomen op de Bomenkaart "de groene parels van Soest":

    1. te vellen of te doen vellen;

    2. in hun groeiruimte aan te tasten, zodat duurzaam behoud niet gewaarborgd is.

  2. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het vellen van beschermwaardige bomen slechts bij uitzondering en onder verwijzing naar het beleid verlenen indien:

    1. een zwaarwegend maatschappelijk belang, het belang van verkeersveiligheid of het belang van dunning zwaarder weegt dan duurzaam behoud van de beschermwaardige boom en daarbij een of meerdere alternatieven voor behoud zijn onderzocht;

    2. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade;

    3. het vellen van de houtopstand geen onevenredige afbreuk doet aan het karakter en het behoud van de bomenstructuur/parkwijk; of

    4. de houtopstand zich binnen een krachtens het omgevingsplan bestaand bouwvlak van een hoofdgebouw bevindt.

  3. Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens vergunning geldt eveneens voor:

    1. een houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingplicht op grond van artikel 4:11c en artikel 4:11h;

    2. een houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan.

  4. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op:

    1. houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag of een rechterlijke uitspraak, onverminderd het bepaalde in artikel 4:11c, artikel 4:11g of artikel 4:11h van deze verordening;

    2. het vellen van houtopstanden in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen, mits het bevoegd gezag hiervoor toestemming heeft verleend, onverminderd het bepaalde in artikel 4:11c, artikel 4:11g of artikel 4:11h van deze verordening; of

    3. het vellen van houtopstanden die een grotere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of meer bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen, gelegen buiten de bebouwde kom en niet op erven of in tuinen, in het kader van bos- en natuurbeheer (multifunctioneel bosbeheer) en productiebos.

  5. Als een velling is uitgevoerd in de zin van artikel 4:11b, vierde lid, aanhef en onder a of b, moet er naderhand een vergunning aangevraagd worden.

Artikel 4:11c

Beschermwaardige bomen: compensatie

  1. Het bevoegd gezag legt een herplantplicht op onder nader te stellen voorschriften.

  2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag afzien van het opleggen van een herplantplicht indien de te vellen bomen onderdeel uitmaken van een bomenstructuur/parkwijk en herplant niet noodzakelijk of gewenst is om de groene structuur of het groene karakter van de omgeving te behouden.

  3. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voor het vellen van een houtopstand het voorschrift verbinden dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een financiële bijdrage is gestort in het gemeentelijke Bomenfonds, indien niet of niet geheel ter plaatse kan worden herplant.

Artikel 4:11d

Omgevingsvergunning voor het vellen van bomen die niet op de Bomenkaart staan (categorie 4 en 5 en overige particuliere bomen)

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstanden die niet op de Bomenkaart staan:

    1. te vellen of te doen vellen;

    2. in hun groeiruimte aan te tasten, zodat duurzaam behoud niet gewaarborgd is.

  2. Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens vergunning geldt voor de bomen uit de categorieën 4 en 5 en eveneens voor:

    1. een houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingplicht op grond van artikel 4:11c, artikel 4:11f en artikel 4:11h;

    2. een houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan.

  3. Het in het eerste lid onder a gestelde verbod is niet van toepassing op houtopstanden die niet op de Bomenkaart staan en die:

    1. ongeacht hun stamomtrek, privaat eigendom zijn en op percelen met een kavelgrootte van minder dan 175 m² staan;

    2. privaat eigendom zijn, een stamomtrek van minder dan 80 cm hebben, gemeten op 1.30 meter boven maaiveld, en op percelen met een kavelgrootte van meer dan 175 m² staan;

    3. gemeentelijk eigendom zijn en een stamomtrek van minder dan 80 cm hebben, gemeten op 1.30 meter boven maaiveld.

  4. Het in het eerste lid sub a gestelde verbod is eveneens niet van toepassing op:

    1. houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag of een rechterlijke uitspraak;

    2. het vellen van houtopstanden in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen, mits het bevoegd gezag hiervoor toestemming heeft verleend, onverminderd het bepaalde in artikel 4:11f, artikel 4:11g en artikel 4:11h van deze verordening;

    3. het vellen van houtopstanden gelegen buiten de bebouwde kom die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd zijnde:

      • wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populier of wilg, tenzij deze zijn geknot;

      • vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

      • kweekgoed;

      • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;

    4. het vellen van houtopstanden gelegen buiten de bebouwde kom en niet op erven of in tuinen en die een grotere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of meer bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;

    5. het vellen van uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:

      1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

      2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en

      3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

  5. Als een velling is uitgevoerd in de zin van artikel 4:11d, vierde lid, aanhef en onder a of b, moet er naderhand een vergunning aangevraagd worden.

Artikel 4:11e

Weigeringsgronden voor bomen die niet op de Bomenkaart staan

  1. Vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 4:11d lid 1 wordt onder verwijzing naar het Beleid geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende criteria:

    1. de boom heeft beeldbepalende waarde;

    2. de boom heeft cultuurhistorische waarde;

    3. de boom heeft dendrologische waarde;

    4. de boom heeft natuur-/natuurwetenschappelijke waarde;

    5. het betreft een herplantboom;

    6. de boom heeft educatieve waarde.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op houtopstanden die zich bevinden binnen een krachtens het omgevingsplan bestaand bouwvlak.

Artikel 4:11f

Compensatie van bomen die niet op de Bomenkaart staan

  1. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

  2. Indien niet of niet geheel ter plaatse kan worden herplant, kan in afwijking van het eerste lid aan een vergunning tot vellen het voorschrift verbonden worden dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een financiële bijdrage is gestort in het gemeentelijke Bomenfonds.

Artikel 4:11g

Vergunningsvoorschriften

Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren:

  1. voorschriften in het belang van de criteria genoemd in artikel 4:11e, ter bescherming en het behoud van de houtopstand en ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna;

  2. voorschriften over de inrichting van de ondergrondse ruimte bij te herplanten bomen;

  3. het voorschrift dat pas tot vellen op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichtingen of reconstructies mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende is gewaarborgd.

Artikel 4:11h

Instandhoudingplicht

  1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gedaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen:

    1. te herplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn, of

    2. indien niet of niet geheel ter plaatse kan worden herplant, een financiële bijdrage te storten in het gemeentelijke Bomenfonds.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  3. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd ofwel een redelijk vermoeden daartoe bestaat, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen:

    1. om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    2. een Bomeneffectanalyse (BEA) op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. Deze verplichting kan in geval van een initiatief tot een ruimtelijke ontwikkeling reeds vroegtijdig in de planontwikkeling opgelegd worden.

Artikel 4:11i

Aanvraag

De omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd door, of met toestemming van, de eigenaar van de houtopstand.

Artikel 4:12

Bestrijding van boomziekten

  1. Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

    1. de houtopstand te vellen of te doen vellen;

    2. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  2. Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  3. Het bevoegd gezag kan een ontheffing verlenen van het onder het tweede lid van dit artikel gestelde verbod en daaraan voorwaarden verbinden.

Artikel 4:12a

Bescherming van openbare houtopstanden en groenvoorzieningen

  1. Het is verboden om houtopstanden, die gemeentelijk eigendom zijn:

    1. te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    2. van voorwerpen te voorzien;

    3. te snoeien, behoudens een door de gemeente opgedragen boomverzorgende taak.

  2. Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in een bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstrook, grasperk of bloembak verboden enige schade toe te brengen aan een boom of beplanting dan wel aldaar bloemen te plukken.

Artikel 4:12b

Afstand tot de erfgrens

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op:

  1. 0,5 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters in privaat eigendom en

  2. nihil voor bomen, heesters en heggen die eigendom zijn van de gemeente.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:17

Definities

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. [Gereserveerd].

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    1. de bescherming van natuur en landschap; of

    2. de bescherming van een stadsgezicht.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Artikel 4:20

Beschermde planten; hout sprokkelen en paddenstoelen plukken

  1. Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend dood hout.

  2. Het is verboden:

    1. op plaatsen die zijn aangewezen door het college in het belang van de bescherming van het natuur-, landschaps- of dorps-/stadsschoon, de in die aanwijzing aangeduide bloemen, paddenstoelen of planten te plukken of bij zich te hebben;

    2. hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben in bosgebieden of gedeelten daarvan die zijn aangewezen door het college in het belang van milieubeheer.

  3. Het verbod is niet van toepassing:

    1. op bloemen, paddenstoelen, planten of hout afkomstig van elders dan wel door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen;

    2. indien de handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden;

    3. op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit kwaliteit leefomgeving, of Omgevingsbesluit.

  4. Het verbod in het tweede lid, aanhef en onder b, is voorts niet van toepassing op hout dat afkomstig is van houtopstanden waarop de verboden van artikel 4:11b en artikel 4:11d niet van toepassing zijn.

  5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Soest 2025