1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester de vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting in, indien:

    1. niet langer wordt voldaan aan de in artikel 2:28, vijfde lid, gestelde eisen;

    2. zich in of vanuit de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

    3. er een persoon leidinggevende is geworden en deze niet op grond van artikel 2:31b is aangemeld.

  2. De vergunning vervalt van rechtswege indien:

    1. de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) is overgedragen;

    2. de aard van de inrichting is gewijzigd zonder dat daarvoor een nieuwe vergunning is verleend.