1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstanden die niet op de Bomenkaart staan:

    1. te vellen of te doen vellen;

    2. in hun groeiruimte aan te tasten, zodat duurzaam behoud niet gewaarborgd is.

  2. Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens vergunning geldt voor de bomen uit de categorieën 4 en 5 en eveneens voor:

    1. een houtopstand die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingplicht op grond van artikel 4:11c, artikel 4:11f en artikel 4:11h;

    2. een houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan.

  3. Het in het eerste lid onder a gestelde verbod is niet van toepassing op houtopstanden die niet op de Bomenkaart staan en die:

    1. ongeacht hun stamomtrek, privaat eigendom zijn en op percelen met een kavelgrootte van minder dan 175 m² staan;

    2. privaat eigendom zijn, een stamomtrek van minder dan 80 cm hebben, gemeten op 1.30 meter boven maaiveld, en op percelen met een kavelgrootte van meer dan 175 m² staan;

    3. gemeentelijk eigendom zijn en een stamomtrek van minder dan 80 cm hebben, gemeten op 1.30 meter boven maaiveld.

  4. Het in het eerste lid sub a gestelde verbod is eveneens niet van toepassing op:

    1. houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag of een rechterlijke uitspraak;

    2. het vellen van houtopstanden in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen, mits het bevoegd gezag hiervoor toestemming heeft verleend, onverminderd het bepaalde in artikel 4:11f, artikel 4:11g en artikel 4:11h van deze verordening;

    3. het vellen van houtopstanden gelegen buiten de bebouwde kom die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd zijnde:

      • wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen en eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populier of wilg, tenzij deze zijn geknot;

      • vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

      • kweekgoed;

      • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;

    4. het vellen van houtopstanden gelegen buiten de bebouwde kom en niet op erven of in tuinen en die een grotere oppervlakte grond beslaan dan 10 a, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of meer bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;

    5. het vellen van uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:

      1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

      2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en

      3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

  5. Als een velling is uitgevoerd in de zin van artikel 4:11d, vierde lid, aanhef en onder a of b, moet er naderhand een vergunning aangevraagd worden.