1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht,

  2. kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en

  3. muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of

  4. op het terrein van een ander.

  5. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de

  6. hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot

  7. halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  8. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is

  9. naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van

  10. een muilkorf die:

    1. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

  11. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat

  12. verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

  13. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de

  14. korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf

  15. aanwezig zijn.

  16. Onverminderd artikel 2:44, eerste lid, onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste

  17. lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek

  18. identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar

  19. is.