1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  2. De burgemeester

    1. weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend omgevingsplan of voorbereidingsbesluit of indien de aanvrager geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;

  3. kan de vergunning weigeren of intrekken indien uit rapportages of informatie van politie en justitie sprake blijkt van slecht levensgedrag.

  4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning slechts

  5. geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat

    1. de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

  6. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is

  7. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

    1. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

  8. een zorginstelling;

  9. een museum; of

  10. een bedrijfskantine of –restaurant.

  11. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij

  12. niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning bedoeld in

  13. het eerste lid.