Algemene plaatselijke verordening Opsterland 2013 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde
Hoofdstuk Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Hoofdstuk Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Afdeling

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:9

Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. afzetten: het afzagen van een stam, met het oogmerk dat de boom zich weer herstelt;

  2. bebouwde kom: de bebouwde kom in de zin van de Boswet;

  3. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een diameter van de stam van minimaal tien centimeter op een hoogte van 1,3 meter boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de diameter van de dikste stam;

  4. dunnen: het volledig verwijderen van bomen, heesters of struiken om de overblijvende planten meer ruimte te geven;

  5. rooien: planten met wortelkluit uit de grond halen;

  6. tuin; een stuk grond, gelegen op hetzelfde perceel als een woning, waar planten groeien met een recreatief doel;

  7. vellen: rooien, afzetten, dunnen, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:10

Kapverbod

  1. Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen indien het een houtopstand betreft:

    1. binnen de bebouwde kom of in een tuin, indien het een eik of beuk betreft met een stamomtrek van minimaal 90 cm (diameter ≥ 30 cm) op 1,3 meter boven maaiveldhoogte, of;

    2. buiten de bebouwde kom en buiten een tuin, indien het een boom betreft met een stamomtrek van minimaal 30 cm (diameter ≥ 10 cm) op 1,3 meter boven maaiveld.

  2. De vergunning kan worden geweigerd op grond van:

    1. de natuurwaarde van de boom; of

    2. de landschappelijke waarde van de boom; of

    3. de waarde van de boom voor stads- en dorpsschoon; of

    4. de beeldbepalende waarde van de boom; of

    5. de cultuurhistorische waarde van de boom; of

    6. de waarde voor de leefbaarheid van de boom.

  3. Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van groot gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang.

  4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bomen, beplantingen en kweekgoed als bedoeld in artikel 15, tweede lid van de Boswet op grond waarvan de gemeenteraad onbevoegd is om regelen te stellen ter bewaring van genoemde soorten.

  5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:11

Schorsende werking

  1. Van de vergunning kan geen gebruik worden gemaakt voordat zij definitief is geworden, oftewel voordat:

    1. de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken zonder dat bezwaar of beroep is ingediend;

    2. beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening;

    3. beslist is op het beroep en geen verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan.

  2. Het in het eerste lid bepaalde geldt ook als de vergunning conform artikel 1:7 van rechtswege is verleend.

Artikel 4:12

Kennisgeving Boswet

Wanneer een afschrift is ontvangen van de bevestiging van ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift als een melding.

Artikel 4:13

Bijzondere vergunningsvoorschriften

  1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herbeplant.

  2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet-gedijende beplanting moet worden vervangen.

Artikel 4:14

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien een boom waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het college is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door het college gegeven aanwijzingen binnen een gestelde termijn.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet-gedijende beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien een boom waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:

18 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5: 42 Burgerlijk Wetboek bedraagt 0,5 meter voor zowel bomen, heggen en heesters.

← terug naar Algemene plaatselijke verordening Opsterland 2013