In deze afdeling wordt verstaan onder:

  1. afzetten: het afzagen van een stam, met het oogmerk dat de boom zich weer herstelt;

  2. bebouwde kom: de bebouwde kom in de zin van de Boswet;

  3. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een diameter van de stam van minimaal tien centimeter op een hoogte van 1,3 meter boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de diameter van de dikste stam;

  4. dunnen: het volledig verwijderen van bomen, heesters of struiken om de overblijvende planten meer ruimte te geven;

  5. rooien: planten met wortelkluit uit de grond halen;

  6. tuin; een stuk grond, gelegen op hetzelfde perceel als een woning, waar planten groeien met een recreatief doel;

  7. vellen: rooien, afzetten, dunnen, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben.